Jan Bonte was enthousiast over dit essay.
Dus wil ik het hier graag plaatsen.
Jeffrey Sachs raadt ons steeds aan het boek van Annie Jacobson te lezen :
Nuclear War : A scenario.
Ik heb DeepSeek gevraagd een samenvatting te maken van 5 pagina's/
Die staan onder het essay van Ewald Engelen.
Een kleine antropologie van de
oorlog
May 27, 2026
I
Het is naar verluidt na de Bijbel
wereldwijd het meest gelezen boek.
Dertig tot veertig miljoen stuks
zijn ervan verkocht. Het is in zoveel talen vertaald dat niemand exact weet in
hoeveel. Het is maar liefst drie keer verfilmd, in 1930, in 1979 en in 2022.
Het kwam de auteur in 1931 op twee nominaties voor de Nobelprijs te staan, een
voor de vredesprijs en een voor de literatuurprijs. Voor de literatuurprijs
ontbrak het hem echter aan een oeuvre. En voor de vredesprijs bleek hij te
controversieel: het Duitse officierenverbond tekende protest aan tegen deze
nominatie omdat het boek in kwestie een belediging van het Duitse leger en van
de Duitse soldaat in het algemeen was.
Begin jaren dertig verstoorden de
nazis om die reden de voorstellingen van de eerste verfilming ervan, die
onpatriottisch werd gevonden. En nadat de nazis in 1933 in Duitsland aan de
macht waren gekomen, belandde het boek al snel op de vele brandstapels van
ontaarde literatuur die in die jaren op de centrale pleinen van Duitse steden
werden georganiseerd. In 1939, nadat de auteur een veilig heenkomen in de VS
had gevonden, werd hem door de nazis het staatsburgerschap ontnomen.
Net zoals nu diegenen die zich
kritisch uitlaten over de militarisering van de Europese samenleving, zoals de
Zwitserse auteur Jacques Baud en anderen, civiel dood worden verklaard, ditmaal
door de Europese Commissie.
De ironie is bitter: opnieuw grijpt
de grimmige geest van militarisering om zich heen, opnieuw is de waarheid het
eerste slachtoffer, opnieuw blijkt dat gedachten niet vrij zijn, en opnieuw
nemen de autoriteiten zich het recht voor om wel even te bepalen wat burgers
wel en niet mogen zeggen en wat andere burgers wel en niet mogen lezen, zien en
horen.
Het Europese vredesproject van na
het nazisme dat zich zelf bezondigt aan nazistische praktijken: wie had dat in
1952, tijdens de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Staal en Kolen
kunnen bedenken.
Terug naar het boek en zijn auteur.
Remarques Im Westen nichts neues blijft als aanklacht
tegen oorlog en militarisering onovertroffen.
Ik heb het uiteraard over het
huiveringwekkende anti-oorlogsboek, Im Westen nichts neues.
En over zijn auteur, de voormalige
Duitse frontsoldaat Erich Maria Remarque.
Oorlog is een geliefd onderwerp in
de Europese literatuur. Als de Ilias van Homerus als de
brontekst van de Westerse literatuur beschouwd mag worden, dan kan je zelfs
stellen dat de gehele Westerse literaire traditie op oorlog is gestoeld. En ook
al gingen Shakespeare met zijn Rozenoorlogen en Tolstoj met zijn herinneringen
aan de Krim oorlog en uiteraard zijn monumentale klassieker uit 1867 over de
nederlaag van Napoleon tijdens zijn Russische veldtocht, Oorlog en
vrede, Remarque voor, er zijn weinig oorlogen die zoveel wereldliteratuur
hebben opgeleverd als de Grote Oorlog van 14-18. Van Britse war
poets als Sigfried Sassoon, Wilfred Owen en Robert Graves tot aan
romanschrijvers als Ferdinand Céline, Ernst Jünger, Jaroslav Hasek, Ford Maddox
Ford, Ernest Hemingway en, opnieuw, Robert Graves.
En waarschijnlijk is dat omdat de
Eerste Wereldoorlog met zijn massale inzet van moderne moordzuchtige artillerie
en zijn frontlijn die ondanks de gigantische offers die de oorlogvoerenden
brachten in vier jaar tijd nauwelijks bewoog, tot de belichaming bij uitstek
van militaire zinloosheid is geworden. De essentie van industriële
oorlogvoering is immers dat het nauwelijks ruimte laat voor de sentimentaliteit
van soldatenheroïek. Geen futielere oorlog dan de industriële oorlog — het is
een inzicht dat het militaire apparaat, zijn politieke woordvoerder en,
verbijsterend genoeg, pers en intelligentsia anno 2026 met hun lichtzinnige
roep om oorlog en hun hitsige geilen op uniforms en wapens kennelijk zijn
vergeten.
En ook al hebben Jünger, Céline,
Hasek en Ford waarschijnlijk betere literatuur afgeleverd, met spannendere
composities, rondere karakters en ambitieuzere plots, om over Pat Barkers Regeneration
trilogy maar te zwijgen, Remarques Im Westen nichts neues blijft
als aanklacht tegen oorlog en militarisering onovertroffen. Niet alleen omdat
alle pacifistische argumenten tegen oorlog en het militaire apparaat en zijn
politieke pennenlikers er in staan, maar ook omdat het zich met net iets meer
dan twee honderd paginas in een paar dagen laat lezen waardoor het inderdaad
geschikt is als antimilitaristisch manifest — wat Remarque in 1931, zoals
gezegd, twee nominaties voor de Nobelprijs opleverde.
Nu wij opnieuw aan de vooravond
lijken te staan van het normaliseren van militarisering en oorlog wil ik, ter
waarschuwing en als appel aan het denkend deel der natie dat zich al vier jaar
zo onnadenkend betoont, een aantal passages uit Im Westen nichts neues (vanaf
nu: Im Westen) hier reproduceren en kort van commentaar voorzien.
II
Het begint met het opschrift
waarmee Im Westen aanvangt.
Dit boek is noch een aanklacht, noch een bekentenis. Het is slechts een
poging om het verhaal te vertellen van een generatie die door de oorlog is
verwoest — zelfs zij die aan de granaten zijn ontsnapt.
De eerste zin is pure ironie. Het
boek is namelijk wel degelijk gebaseerd op Remarques persoonlijke ervaringen.
De belevenissen van de verteller, Paul, zijn namelijk grotendeels de
belevenissen van de auteur, tot en met de aard van zijn verwondingen, zijn
verblijf in meerdere lazaretten, en de ziekte van zijn moeder. En is daarmee
wel degelijk een bekentenis.
En is om die reden dan ook wel
degelijk als een mokerslag van een aanklacht gelezen: omarmd door de
omvangrijke pacifistische beweging van na de Grote Oorlog; vervloekt door de
frontmilities die in zowel Italië als Duitsland na de oorlog de ruggengraat werden
van het revanchistische, gemilitariseerde nationalisme dat het opkomend
fascisme en nationaalsocialisme voedde.
De tweede zin schetst bruusk en
kort wat oorlog doet: het vernietigt niet alleen al het menselijk leven, het
verwoest ook de civilisatie en iedere spiritualiteit, iedere verfijning, elke
beschaving, elke hang naar het hogere en transcendente. Het maakt van de met
rede, gevoel en zielenroerselen begiftigde mens een ‘menselijk dier’, zoals
Remarque in het boek talloze malen de frontsoldaat zal noemen.
Het fineer van beschaving dat het taboe op geweld
schraagt en dat we gezamenlijk in decennia van vredeswerk hebben opgebouwd, zou
wel eens dunner kunnen blijken dan we nu denken.
En daarmee verwees hij niet naar de
amoralitet van het dier, alsof het zinloze doden van de medemens een dierlijke
eigenschap zou zijn en alsof dieren op grootschalige, industriele moord zijn te
betrappen. Integendeel, door het hele boek heen fungeren dieren en natuur als
het absolute contrapunt van de door mensen gemaakte hel die oorlog heet. En de
meest aangrijpende passage van het boek, althans voor deze lezer, was die waar
Remarque het heeft over het huilen van de vele paarden die werden ingezet als
last- en trekdier en die, getroffen door granaatscherven, kogels, rondspattend
puin en gifgas, gek van pijn en angst, hun aanklacht tegen de monsterlijke mens
het firmament in slingerden. Het is een geluid dat zelfs de meest geharde
frontsoldaat door merg en been gaat.
Dit laat Remarque een van zijn
personages daarover zeggen:
Detering beent al vloekend weg: “Ik wil weten waar ze schuldig aan zijn.”
Hij komt later terug. Zijn stem klinkt opgewonden, bijna plechtig, als hij
zegt: “Ik zeg je dit: het is de grootste schande dat er dieren in onze oorlog
zijn.”
Acht miljoen paarden, ezels en
muildieren zijn naar verluidt tijden de Grote Oorlog omgekomen. En tijdens de
Tweede Wereldoorlog, die zogenaamde gemotoriseerde oorlog, nog een keer tussen
de twee en vijf miljoen.
Nee, de dierlijkheid verwijst naar
het instinctieve, het pre-rationele, dat de frontsoldaat heeft ontwikkeld, dat
hem in staat stelt te overleven in de diep-vijandige wereld van het front, een
wereld van staal, gas en modder, waar de dood een constante is. De frontsoldaat
wordt pas zwak wanneer hij zich overgeeft aan melancholie, aan heimwee, aan
herinneringen van het zachte, verfijnde civiele leven waaruit hij is weggerukt.
Wanneer hij, met andere woorden: aan het denken slaat. Onnadenkend doden en overleven:
dat is wat Remarque met de frontsoldaat als menselijk dier bedoelt.
Ook zij die het overleven, zijn
door de oorlog echter voorgoed aangetast. En in de jaren dat Remarque aan zijn
roman schreef, die in 1929 en 1930 eerst als feuilleton verscheen, moet hij die
verwoestingen om zich heen hebben gezien. Niet alleen verminkte gezichten en
alomtegenwoordige protheses, maar ook een ruwheid en grofbesnaardheid die de
erfenis van de loopgraaf was, waardoor het taboe op geweld flinterdun was
geworden. De heiligheid van het leven en het absolute taboe op het nemen van
het leven van anderen: hoe dat te herstellen bij een generatie die vier jaar
lang was gevraagd zonder aanziens des persoons te moorden en had geleerd hoe
weinig het leven waard was? Zonder de herinnering aan de loopgraaf had het
Duitse openbare leven in het interbellum nimmer zo snel en makkelijk kunnen
militariseren en had de Duitse elite en het Duitse volk zich nimmer zo snel en
makkelijk opnieuw in een orgie van grootschalig, georganiseerd,
geïndustrialiseerd geweld kunnen verliezen.
Of in de woorden van Remarque, een
eindje verder in het boek:
En ik weet het: alles wat we nu meemaken, zolang we in oorlog zijn, zinkt
als een steen in ons weg, zal na de oorlog weer bovenkomen, en dan zal de
strijd op leven en dood pas echt beginnen. De dagen, de weken, de jaren hier
aan het front zullen terugkeren, en onze gesneuvelde kameraden zullen opstaan
en met ons meemarcheren, onze geest zal helder zijn, we zullen een doel
hebben, en dus zullen we marcheren, onze gesneuvelde kameraden naast ons, de
jaren van het front achter ons — tegen wie?
Het bevat een belangrijke
waarschuwing aan hen die nu oproepen tot oorlog en militarisering: het fineer
van beschaving dat het taboe op geweld schraagt en dat we gezamenlijk in
decennia van vredeswerk hebben opgebouwd, zou wel eens dunner kunnen blijken dan
we nu denken. En als het eenmaal weg is, als het taboe op grootschalig,
georganiseerd geweld eenmaal doorbroken is, staat de deur wagenwijd open naar
het type zielloze, cynische calculaties waarin militairen uitblinken: alles is
toegestaan zolang de sterfratios maar groter dan een zijn, zolang er maar meer
eenheden aan de andere kant onschadelijk worden gemaakt dan wij zelf verliezen.
Het is een logica waarin ten langen leste ook de inzet van kernwapens denkbaar
en bespreekbaar wordt.
Bloemenkinderen noemt een redacteur van progressief
weekblad badinerend de pacifisten die zich verzetten tegen militarisering.
Net als nu, kwam de oorlog ook toen
na een relatief lange periode van vrede. De laatste grote oorlog die het Duitse
leger had gevochten, was de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. En zoals de Britse
minister van defensie, Edward Grey, in 1908 in reactie op een interview in
de Daily Telegraph met de Duitse keizer liet optekenen:
Na een grote oorlog wil een land een generatie of langer geen nieuwe,
totdat het, na een jaar of veertig, als het land sterk genoeg is, ernaar begint
te verlangen. Zo verging het ons, tussen de veertig en vijftig jaar na de
Krimoorlog, en zo verging het de Russen; en zo verging het ook de Amerikanen,
bijna veertig jaar na de burgeroorlog. Het is nu 38 jaar geleden dat Duitsland
zijn laatste oorlog voerde, en het land is erg sterk en erg onrustig, als
iemand wiens schoenen te krap zijn. Ik denk niet dat er op dit moment een
oorlog zal uitbreken, maar het zal moeilijk zijn om de vrede in Europa de
komende vijf jaar te bewaren.
Zes jaar later was het zover.
III
Wie gewend is aan vrede en het
zachte gemoed en de fijnbesnaardheid waarmee dat gepaard gaat voor
vanzelfsprekend houdt, kan aan oorlog en de morele scherpte die het brengt een
zin en betekenis ontlenen die het als de oplossing voor alle vage beschavingsklachten
waarmee samenlevingen worstelen doet verschijnen. Zo was het toen: oorlog als
oplossing voor de crisis van de mannelijkheid, schrijft de Australische
historicus Christopher Clark in een bijzinnetje in zijn monumentale
reconstructie van de aanloop naar de Grote Oorlog van 14-18, Sleepwalkers.
Met lust en plezier, dronken van het vooruitzicht van eer en glorie, stortten
in die dagen samenlevingen zich in het oorlogsavontuur.
En zo lijkt het ook nu te zijn:
oorlog als antwoord op de verveling van het egocentrische neoliberale leven.
Bloemenkinderen noemt een redacteur van progressief weekblad badinerend de
pacifisten die zich verzetten tegen militarisering. Zondagskinderen noemt een
columniste van een grote Nederlandse krant de generaties die in vrede zijn
opgegroeid en die vrede graag blijven koesteren. Niet zo zeuren, moeten we
volgens haar: vrede is niet gratis maar vereist offers die de politiek best van
ons mag vragen. Terwijl zij en de haren dondersgoed weten dat zijzelf en hun
klasse nooit gevraagd zullen worden om het ultieme offer te brengen dat hun
lichtzinnige oorlogsretoriek wellicht van ze gaat vragen. Het Latijns cliché
van si vis pacem, para bellum heeft oorlog nooit voorkomen en
alleen maar wapenwedlopen veroorzaakt.
Het is iedere oorlog opnieuw een raadsel hoe de
vermeend vrije en objectieve pers zich voor dit militaristische karretje laat
spannen.
Zo beschrijft Remarque het, in een
passage die is gewijd aan de middelbare schoolklas van het hoofdpersoon, die
zich in de herfst van het eerste oorlogsjaar en masse voor het Duitse leger
aanmeldt:
Een van ons aarzelde echter en wilde eigenlijk niet gaan. Dat was Joseph
Behm, een stevige, joviale kerel. Uiteindelijk werd hij overgehaald; anders zou
hij zichzelf belachelijk hebben gemaakt. Misschien dachten er nog wel meer
mensen zo over; maar niemand kon er gemakkelijk aan ontkomen, want in die tijd
gebruikten zelfs ouders al snel het woord laf. Mensen hadden simpelweg geen
idee wat er te wachten stond. De arme en eenvoudige mensen waren eigenlijk het
meest verstandig; zij beschouwden de oorlog meteen als een ramp, terwijl de
welgestelden dolblij waren, ook al hadden juist zij zich veel eerder bewust
kunnen zijn van de gevolgen.
Deze passage is om zeker vier
redenen belangrijk. Ten eerste omdat het inzichtelijk maakt hoe belangrijk
groepsdruk is in verbreiden en bestendigen van oorlogslust. Niet alleen de
schoolkameraden en de onderwijzer bleken instrumenteel in het aanmelden voor
het leger, zelfs de ouders, gezinsleden, familieleden, geliefden en kennissen
waren dat. “Lafheid”, “gebrek aan patriottisme”, “geen vaderlandsliefde”, of,
in onze tijd, “vatnik”, “poetinpijper”, “Russian asset”, zijn de morele
piketpalen waarmee de goeden van de slechten worden gescheiden, terwijl het
negatieve sociale oordeel, eindeloos herhaald, tegelijk de wortel en de stok is
waarmee de slechten worden gemaand om naar het kamp van de goeden te komen. Het
is de essentie van alle oorlogspropaganda. Door, als in een liturgie, steeds
opnieuw dezelfde morele oordelen over zelf en ander te herhalen worden vriend-
en vijandbeelden geconstrueerd en worden de morele piketpaaltjes steeds dieper
in de patriottische humus van het pre-bewuste geslagen. Het is iedere oorlog
opnieuw een raadsel hoe de vermeend vrije en objectieve pers zich voor dit
militaristische karretje laat spannen.
Ook anno 2026 weer: de Russen zijn
autocratische kindermoordenaars, de Oekraïners zijn helden die strijden voor
onze democratie en vrijheid. Het zijn clichés die in de bordkartonnen wereld
van de cartoon thuishoren maar nu door doodserieuze mensen op een doodserieuze
wijze worden gebracht alsof het de diepste ontologische wijsheden zijn die ze
in hun hele leven zijn tegengekomen.
Ten tweede dat dat sociale oordeel
gebaseerd was op een veel te rooskleurig, heroïsch beeld van wat oorlog
werkelijk behelsde: “mensen hadden simpelweg geen idee wat er te wachten
stond”, schrijft Remarque terecht. En het doel van zijn boek was natuurlijk om
anno 1930, bij opkomende militarisme en nationalisme, mensen er aan te
herinneren wat de ware aard van oorlog was.
Ten derde, dat die onwetendheid een
klassencomponent had: vooral de gegoede burgerij wentelde zich in die
onwetendheid en kon zich daardoor, doordat ze geen benul hadden van de
materialiteit van oorlog, draperen in de sentimentele soldatenheroïek van het
patriottisme. De “arme en eenvoudige mensen”, zoals Remarque ze noemt, wisten
wel beter en hadden dondersgoed door dat de oorlog een ramp was — vooral, zo
zou ik er zelf aan toegevoegd hebben, omdat zij, hun zonen en dochters, het
zijn die de fraai onderhouden oorlogsgraven van erna mogen vullen, die
monumenten van patriottisme voor de oorlogen die nog moeten komen.
Vervolgens laat Remarque een van
zijn personages, Katczinsky, in de rest van het boek Kat genoemd, die symbool
staat voor gezond verstand en boerenslimheid en die gedurende het verhaal
meerdere malen zijn kameraden met zijn boerenslimheid het leven zou redden, het
volgende zeggen:
Katczinsky beweert dat dit komt door het onderwijs, dat het je dom maakt.
En waar Katczinsky over nadenkt, daar heeft hij wel degelijk over nagedacht.
Oftewel, hoe meer jaren je op
school (universiteit, hbo) hebt gezeten hoe bevattelijker je bent voor de
oorlogspropaganda van politiek en pers en hoe gevoeliger je bent voor het
morele narratief van goed versus kwaad dat aan de wieg van iedere oorlog staat.
Deels is dat ingegeven door belangen: de oorlog wordt immers grotendeels
uitgevochten door de arbeiderszonen en -dochters, niet door de zonen en
dochters van de welgestelden. En deels is dat een gevolg van een groter
vertrouwen in instituties en bureaucratisch gezag, die immers verantwoordelijk
zijn voor een samenleving die op jouw burgerlijke maat is gesneden — en is het
daarmee opnieuw een belangenkwestie: zoals de gevallenen in Vietnam vooral
zwarte jongens waren, zo waren de gevallenen in de Grote Oorlog vooral
arbeidersjongens en boerenzonen, en zo zijn opnieuw de gevallenen in de
Oekraïne-oorlog vooral arbeiders en middenstanders.
Kauw daar maar eens op: alleen het lazaret laat zien
wat oorlog is.
Het is een observatie die ook in
het Nederland van 2026 gemaakt kan worden: de meest enthousiaste steun voor de
vergeefse oorlog in Oekraïne komt van de kletsende klasse, de mensen die in
landen als Nederland de instituties en organisaties van werkelijkheids- en
waarheidsdefinitie bevolken en die over het algemeen de universiteit hebben
doorlopen. En die over het algemeen genomen een verdraaid kleine kans lopen om
als soldaat aan het front terecht te komen. Terwijl de praktisch geschoolden
gekenmerkt worden door een, in mijn ogen, gezond wantrouwen jegens de verhalen
die de instituties hen vertellen en om die reden grote vraagtekens plaatsen
achter zowel de militarisering als de onvoorwaardelijke steun voor het
regime-Zelensky. Het verschil tussen deze twee standpunten verdiept vervolgens
op zijn beurt alleen maar meer het wantrouwen van de praktisch geschoolden
jegens de kletsende klasse in pers en politiek, die mooi kunnen praten maar als
het puntje bij paaltje komt het Grote Sterven aan de kinderen van de praktisch
geschoolden laat.
Remarque nog een keer, over de ware
aard van oorlog die de elite nimmer te zien krijgt, waardoor oorlog voor de
gemiddelde politicus een instrument naast andere kan blijven — inderdaad
diplomatie met andere middelen — in plaats van de hel die het is:
Het is onbegrijpelijk dat boven zulke verminkte lichamen nog steeds
menselijke gezichten te zien zijn, waarin het leven zijn dagelijkse gang
voortzet. En dit is slechts één veldhospitaal, slechts één afdeling – er zijn
er honderdduizenden in Duitsland, honderdduizenden in Frankrijk,
honderdduizenden in Rusland. Hoe zinloos is alles wat ooit is geschreven,
gedaan of bedacht als zoiets mogelijk is! Het moeten allemaal leugens zijn als
zelfs millennia van cultuur niet konden voorkomen dat deze rivieren van bloed
worden vergoten, dat deze gevangenissen van marteling met honderdduizenden
tegelijk bestaan. Alleen het veldhospitaal laat zien wat oorlog is.
Kauw daar maar eens op: alleen het
lazaret laat zien wat oorlog is.
IV
Nog voor zij daadwerkelijk naar het
front zijn gestuurd, vergaat de jongens die zich in 1914 zo vol enthousiasme
voor het leger hebben aangemeld het lachen reeds. De absurditeit van de
militaire hiërarchie is de reden voor deze ontnuchtering.
Remarque:
We ondergingen tien weken militaire training en werden in die tijd
ingrijpender veranderd dan in tien jaar school. We leerden dat een gepoetste
knoop belangrijker is dan vier delen van Schopenhauer. Eerst verbijsterd, toen
verbitterd en uiteindelijk onverschillig, beseften we dat het niet de geest was
die ertoe deed, maar de poetsborstel; niet de gedachte, maar het systeem; niet
de vrijheid, maar de dril. We waren soldaten geworden met enthousiasme en goede
wil; maar alles werd gedaan om dat uit te roeien. Na drie weken was het voor
ons niet langer onbegrijpelijk dat een postbode in schort meer macht over ons
had dan onze ouders, onze leraren en alle culturele kringen van Plato tot
Goethe samen ooit hadden gehad.
Er is niets heroïsch aan het
dienstnemen in een leger dat is gebaseerd op diezelfde fijnmazige arbeidsdeling
als willekeurig welk ministerie of willekeurig welke autofabriek. Als soldaat
lever je je identiteit, je authenticiteit, je hele zijn en wezen in zodra je de
kazerne betreedt en wordt je gereduceerd tot een radertje in een
onbegrijpelijke machine die functioneert volgens onbegrijpelijke en vaak
volkomen absurde regels. Met meritocratie, excelleren en heroïek heeft het
allemaal niets te maken, met kadaverdiscipline, met je onderwerpen aan de
regels van een domme machine, bemenst door domme functionarissen des te meer.
Dit is de stof waaruit briljante
klassiekers als Jaroslav Haseks Soldaat Sjvek, Joseph Hellers Catch
22 en de tv-serie M*A*S*H* zijn geweven: de
absurditeit van een domme bureaucratie die over leven en dood beslist en waar
geen ontsnappen aan is — het leger, dus, als de ultieme modernistische
nachtmerrie.
Illustratief voor deze
modernistische absurditeit is de scene waarin de legereenheid van het
hoofdpersoon zich moet voorbereiden op een inspectie door de Duitse Keizer:
Er wordt flink gepoetst. Het ene appél na het andere. We worden van alle
kanten geïnspecteerd. Alles wat gescheurd is, wordt ingeruild voor iets goeds.
Ik krijg een gloednieuwe jas. Kat krijgt natuurlijk zelfs een compleet uniform.
[…] Eindelijk komt het gerucht naar buiten: de keizer komt voor een inspectie.
Dat verklaart al die inspecties. Acht dagen lang waan je je in een
rekrutenkazerne, zo intensief zijn de werkzaamheden en oefeningen. Iedereen is
chagrijnig en nerveus, want overmatig schoonmaken is niets voor ons, en
paraderen al helemaal niet. Het zijn juist dit soort dingen die een soldaat
meer irriteren dan de loopgraven. Eindelijk is het zover. We staan in de
houding en de keizer verschijnt. We zijn benieuwd hoe hij eruitziet. Hij loopt
met vastberaden stappen vooraan, en ik ben eigenlijk een beetje teleurgesteld:
op basis van de fotos had ik me hem groter en krachtiger voorgesteld, en vooral
met een veel luidere stem.
Hij deelt IJzeren Kruisen uit en spreekt de een na de ander toe.
Het zijn scènes die iedereen die in
een grote bureaucratische organisatie en in een van zijn onderafdelingen
bivakkeert, kent: de bestuurder komt met zijn entourage poolshoogte nemen.
“Veldbezoek” heet het. En voor het personeel betekent het “spit and polish”,
zoals de Engelsen het noemen. Een mooiere werkelijkheid voorspiegelen om de
aandacht van het bestuur te doen afglijden naar een andere onderafdeling, hier
is immers alles precies zoals het bestuur het wenst, om in de schemer van de
eigen autonomie weer te kunnen doen wat men altijd deed en weer heerlijk de
kantjes ervan te kunnen aflopen. Het is één groot toneelstuk, waarin iedereen
zijn rol speelt, maar waarvan net gedaan wordt alsof het de werkelijkheid is.
Een simulacrum dat iedereen doorziet. Draaglijk zolang er
niets op het spel staat, zoals in vrijwel alle organisaties; ondraaglijk als
het gaat om totalitaire instituten als het leger.
Zo ook hier:
Om het nog erger te maken, moeten we bijna alle nieuwe spullen terugbrengen
en krijgen we onze oude rommel weer terug. De goede spullen waren er alleen
voor de sier.
Voeg er de zinloosheid van
massaslachtingen en massaverminkingen om enkele meters omgeploegde aarde aan
toe, en je houdt de kwadratuur van moderne zinloosheid over.
Remarque:
We zien mensen leven zonder schedel; we zien soldaten rennen met beide
voeten eraf geblazen; ze struikelen over versplinterde stompjes naar de
volgende krater; een soldaat kruipt bijna een kilometer op zijn handen, zijn
verbrijzelde knieën achter zich aan slepend; een ander gaat naar de EHBO-post,
zijn ingewanden uit zijn handen puilend; we zien mensen zonder mond, zonder
onderkaak, zonder gezicht; we zien iemand die met zijn tanden de slagader in
zijn arm dichtknijpt om het doodbloeden te stoppen, de zon komt op, de nacht
valt, de granaten fluiten, het leven is voorbij.
Toch heeft het stukje omgewoelde aarde waar we liggen standgehouden tegen
de overweldigende kracht; slechts een paar honderd meter is verlaten. Maar voor
elke meter ligt er een dode.
Operatie geslaagd, patiënt
overleden, zeg maar.
V
Dat oorlog klassenstrijd met
andere, gruwelijke middelen is, is een van de rode draden die door het hele
boek heenloopt. Tussen de zojuist geciteerde passages bevindt zich een
paginalange conversatie tussen het hoofdpersoon, Paul, en zijn kameraden over de
aard van oorlog. Eerder liet een van zijn kameraden weten dat oorlog, om het
modern te zeggen, een performatief construct is. Het is een wilsbesluit van een
regeringsleider geweest die de ander, om met de nazi-jurist Carl Schmitt te
spreken, van een tegenstander in een existentiële vijand heeft gemaakt, die te
vuur en te zwaard moet worden bestreden.
Remarque:
Een bevel heeft van deze zwijgende figuren onze vijanden gemaakt; een bevel
zou hen in onze vrienden kunnen veranderen. Aan een tafel wordt een document
ondertekend door mensen die niemand van ons kent; en al jaren is ons hoogste
doel datgene waarop de minachting van de wereld en haar zwaarste straf rusten.
Oorlog is een sociale constructie,
bedacht en geïnitieerd door lieden die nimmer een vijand zullen aanschouwen,
nimmer een trekker zullen overhalen, nimmer een loopgraaf van binnen zullen
zien, nimmer zullen worden blootgesteld aan het “Stahlgewitter” van artillerie
en spervuur, of in hedendaagse termen: het “Dronegewitter”, en nimmer enig
risico op lichamelijk letsel zullen lopen.
Om met Hannah Arendt te spreken:
zij die op oorlog aansturen en uiteindelijk de oorlogsverklaring zullen
tekenen, zijn in de meest letterlijke betekenis van het woord de eigenlijke
“Schreibtischmörder”, al was het maar omdat zij hem met net zo’n inspanningsloze
geste kunnen doen stoppen. Oorlog verklaren en vrede sluiten, doe je immers met
dezelfde zwierige handtekening. En omdat dat zo is, laat Remarque een van zijn
personages zeggen dat een oorlog eigenlijk uitgevochten zou moeten worden door
diegenen die haar beginnen, niet door het volk dat er niets mee te maken heeft,
er geen brood in ziet en er geen enkele baat bij heeft:
[Kropp] suggereert dat een oorlogsverklaring een soort openbaar feest zou
moeten zijn, met kaartjes en muziek, zoals bij stierengevechten. Dan zouden de
ministers en generaals van beide landen elkaar in de arena in hun zwembroeken
moeten aanvallen, gewapend met knuppels. Wie als laatste overeind zou blijven,
zou gewonnen hebben. Dat zou eenvoudiger en beter zijn dan hier, waar de
verkeerde mensen tegen elkaar vechten.
Laconisch meldt Remarque dat Kropp
een denker is — anders dan de zelfverklaarde denkers die oorlog boven vrede
prefereren, zo lijkt hij daarmee te suggereren. Zoals de eerder genoemde
columnist van een grote Nederlandse krant of zoals de boven genoemde redacteur
van een progressief weekblad, en vele andere leden van de Europese
intelligentsia: denkers die het denken zijn verleert; moralisten die de moraal
achter zich hebben gelaten.
Waarom wordt ons niet verteld hoe het de Russische
soldaat vergaat, de Russische burgers, die net zo goed onder het vuur van
drones, raketten en artillerie lijden?
Hoe ontstaat een oorlog, vraagt een
van Pauls kameraden, Tjaden geheten, in de boven genoemde conversatie.
Meestal beledigt het ene land het andere diep, antwoordt Albert met een
zekere superioriteit.
Maar Tjaden neemt daar geen genoegen mee.
Een land? Ik snap het niet. Een berg in Duitsland kan een berg in Frankrijk
niet beledigen. Of een rivier, of een bos, of een graanveld.
Ben je echt zo dom, of doe je alsof? gromt Kropp. Dat bedoel ik niet. De
ene staat beledigt de andere—
Dan heb ik hier niets te zoeken, reageert Tjaden, ik voel me niet beledigd.
Jou valt ook niets uit te leggen, zegt Albert boos, gelukkig doe jij als
dorpsidioot er toch niet toe.
Dan kan ik net zo goed naar huis gaan, antwoordt Tjaden, en iedereen lacht.
Opnieuw benadrukt Remarque hier de
irrationaliteit van oorlog: de een beledigt de ander. Is dat een goede reden
voor de grootschalige wederzijdse vernietiging die oorlog is? Schelden doet
toch geen pijn? Wat doet eer ertoe als er levens op het spel staan? We zijn
toch geen kinderen. Appeasement, een doodzonde? Wat is daar erg aan
als je er honderdduizenden levens mee kan redden?
En opnieuw benadrukt hij dat het
imaginaire collectief, het vaderland, het wij, het samen dat ook tijdens corona
werd ingezet om burgers te disciplineren, aan het zicht onttrekt dat dat wij
objectief gesproken niet bestaat. Het is de elite die de oorlog verklaart, die
daar belang bij denkt te hebben; het is het volk dat de oorlog moet vechten en
dat met leven, goed en have bekoopt. Oftewel, wie is het vaderland? En wie
bepaalt wie tot dat imaginaire collectief behoort en wie niet?
Het zijn deze simpele, bijna
kinderlijke vragen naar de aard van het wij die ten grondslag ligt aan het
patriottisme, die Remarque zijn personages steeds opnieuw laat stellen.
Huiveringwekkend is de nachtelijke
scene waarin het hoofdpersoon tussen de linies verdwaald raakt, in een
bomkrater beschutting zoekt, daar bezoek krijgt van een Franse soldaat, hem een
frontdolk in de nek steekt en vervolgens, tijdens diens langdurige doodsstrijd
berouw krijgt en door het vijandbeeld heen plotseling het gedeelde mens-zijn
ontdekt:
Kameraad, ik wilde je niet doden. Als je weer in deze krater zou springen,
zou ik het niet doen, mits jij mij niet zou hebben aangevallen. Maar eerst was
je slechts een abstractie, een vijandbeeld dat in mijn hoofd rondspookte en een
beslissing teweegbracht; dat beeld heb ik neergestoken. Nu zie ik voor het
eerst dat je een mens bent zoals ik. Ik dacht aan je handgranaten, je bajonet
en je wapens; nu zie ik je vrouw en je gezicht en wat we samen hebben
meegemaakt. Vergeef me, kameraad! We zien het altijd te laat. Waarom wordt ons
niet steeds opnieuw verteld dat je net zo arm bent als wij, dat je moeders net
zo bang zijn als de onze, en dat we dezelfde angst voor de dood, hetzelfde
sterven en dezelfde pijn kennen?
Inderdaad, waarom wordt ons dat
niet verteld? Waarom wordt ons niet verteld hoe het de Russische soldaat
vergaat, de Russische burgers, die net zo goed onder het vuur van drones,
raketten en artillerie lijden? Zijn hun lichamen niet net zo kwetsbaar als die
van Oekraïense burgers en soldaten? Bloeden zij niet net zo hard? Sterven zij
niet even snel? Zij hebben toch evenmin om deze oorlog gevraagd? Zij zijn toch
evenmin verantwoordelijk voor de beslissingen van hun regeringsleiders die om
redenen van eer en gezichtsverlies, daarbij gesteund door de waanbeelden van
Europese regeringsleiders, weigeren om vrede te sluiten?
Het is precies deze reflectie op de
wederzijdse vijandbeelden en de belangen erachter die we de afgelopen vier jaar
van de kant van pers en politiek zo verduiveld weinig hebben gezien: namens wie
spreekt de regering Zelensky? Bestaat er wel een Oekraïens wij? Is er wel een
Europees belang? Spreken Von der Leyen en Kallas wel namens Europese burgers?
Tjaden speelt in Im Westen de rol van de nuchtere scepticus
die we in het Europese publieke debat over nut en noodzaak van militarisering
zo node missen en die normaal gesproken zou zijn toegevallen aan die
instituties die een “open samenleving” geacht worden waarheid tegen macht te
spreken: media en academia — en die dat nu al vier jaar schromelijk laten
afweten.
Waarom is er dan überhaupt oorlog
vraagt een van hen vervolgens: er moeten toch mensen zijn die er baat bij
hebben?
Nou, ik hoor daar niet bij, grijnsde Tjaden. Jij ook niet, en niemand hier.
Wie dan wel? drong Tjaden aan. Hij is nutteloos voor de keizer. Hij heeft
alles wat hij nodig heeft.
Zeg dat nou niet, antwoordde Kat. Hij heeft nog niet eens een oorlog
gevoerd. En elke belangrijke keizer heeft minstens één oorlog nodig, anders
wordt hij niet beroemd. Zoek het maar op in je schoolboeken.
Generaals worden ook beroemd door oorlog, zei Detering.
Nog beroemder dan keizers, bevestigde Kat.
Er zitten vast nog andere mensen achter die van oorlog willen profiteren,
mopperde Detering.
En hier vinden we in één
conversatie de twee belangrijkste redenen die in de discipline van de
Internationale Betrekkingen voor oorlog opgevoerd worden: het atavistische
eergevoel van de krijger uit het heraldieke tijdperk, hier belichaamt door de
Keizer en de generaal en hun zucht naar eeuwige roem. En het economische nut
van kapitaalbezitters die oorlogen hebben aangegrepen om hun omzetten en
winsten te vergroten en dikke oorlogsdividenden in hun zak te steken. Dat is
waar Detering aan het slot van dit korte gesprek mopperig naar verwijst: de
andere mensen die van oorlog willen profiteren. De Krupps van destijds, zijn de
Rheinmetalls van tegenwoordig. En wie hun cynische hebzucht geëtaleerd wil
zien, moet eens naar de clipjes kijken die op wapenbeurzen zijn geschoten, waar
onze politici zichzelf zo gretig laten feteren en met hun speeches een sluier
van publiek belang over cynische hebzucht draperen.
Deze journalistieke gelijkschakeling is de slechtste
dienst die de pers de Nederlandse samenleving kan bewijzen: een kletsende
klasse die uit een keel kakelt.
Maar misschien, zo laat Remarque
aan het einde van de conversatie als mogelijkheid in de lucht hangen, is dat
allemaal toch te rationeel en is oorlog meer een koorts dan een berekening, een
koorts bovendien die fiks is opgestookt door pers en propaganda:
Ik denk dat het meer op een koorts lijkt, zegt Albert. Niemand wil het
echt, en dan is het er ineens. Wij wilden de oorlog niet, de anderen beweren
hetzelfde — en toch is de halve wereld er volledig bij betrokken.
Maar ze liegen daar meer dan hier, antwoord ik. Denk maar aan de pamfletten
die de gevangenen ons gaven, waarin stond dat we Belgische kinderen opaten. De
mensen die dat soort dingen schrijven, zouden opgehangen moeten worden. Zij
zijn de echte schuldigen.
En hier hebben we in een paar
zinnen meer mediakritiek dan de Nederlandse mediaconsument de afgelopen vier
jaar van de kant van de Nederlandse intelligentsia heeft gekregen. Het
equivalent van de Franse propagandisten van toen zijn de redacteuren van progressieve
weekbladen nu die in hun schrijfsels over hybride oorlogvoering alleen
woordvoerders van het Brusselse veiligheidscomplex aan het woord laten, niet
beseffend dat dit even ver verwijderd is van neutrale, kritische berichtgeving
als de potsierlijke bangmakerij van de propagandisten van toen.
Om maar te zwijgen van hoog
aangeschreven staande journalisten die hun perskaart inleveren om zich te
kunnen transformeren in filantropisch activisten voor de Oekraïense zaak, omdat
het absolute kwaad van Poetin nu eenmaal een morele stellingname afdwingt,
onder het motto: wie zich nu niet uitspreekt, heult met de duivel. Het is in
zijn anti-intellectualisme niet ver verwijderd van het verderfelijke brein
waaruit het broodje aap verhaal van de kannibalistische Duitse soldaat is
ontsproten.
Het zogenaamde
bevestigingsvooroordeel — of op zijn Engels: confirmation bias —
is niet alleen een doodzonde onder wetenschappers maar ook onder journalisten.
En toch is dat wat we nu al vier jaar in de pers tegenkomen: één grote orgie
van bevestiging van de eigen morele vooroordelen die paraderen als waren zij de
gestaalde conclusies van messcherpe intellectuelen. En die bovendien lijken te
worden gestaafd door oorlogscorrespondenten die, zoals sinds de eerste
Golfoorlog gebruikelijk is, embedded zijn, uit de aard van die
praktijk maar één zijde meemaken en zien, en dus per definitie gekleurd
berichten, en aan het thuisfront, zeker onder de andere leden van de
journalistieke professie, bekleed worden met de autoriteit van ooggetuigen die,
gezien de brede maatschappelijke dominantie van de postmoderne
standpuntkennisleer, volgens welke uitsluitend ervaringskennis het recht van
spreken geeft, over de ultieme argumentatieve troefkaart beschikken: ben je er
al eens geweest? Daarmee ieder weerwoord maar ook iedere distantie die nodig is
om tot afgewogen oordeel te komen op voorhand wegwuivend.
En als dan eens iemand afkomstig
uit de journalistieke professie de stoute schoenen aantrekt en voor de
verandering besluit met de vijand zelf te praten, dan is hoon en uitsluiting
zijn deel. In Rusland ben je als journalist alleen welkom als je je houdt aan
het Russische script, deze journalist was welkom, dus is zijn journalistieke
productie per definitie Russische propaganda, luidt het syllogisme. En dat uit
de pennen van leden van een intelligentsia die zich voorstaat op zijn
weldenkendheid, zijn belezenheid, zijn ernst en zijn superieure morele
oordeelsvermogen, die zich er desalniettemin geen enkele rekenschap van geeft
dat datzelfde evenzeer geldt voor de eigen zijde. God verhoedde dat de eigen
oordelen eens ontmaskerd mochten worden als de doodordinaire vooroordelen die
het in wezen zijn! Liever verbieden wij het tegenverhaal dan dat wij uit de
botsing der verhalen (‘choc des opinions’) tenminste een splinter van waarheid
laten ontstaan.
Deze journalistieke
gelijkschakeling is de slechtste dienst die de pers de Nederlandse samenleving
kan bewijzen; een kletsende klasse die uit een keel kakelt.
VI
Een kleine antropologie van de
oorlog heb ik dit opstel als titel meegegeven en daar wil ik dan ook mee
afsluiten, met de zelfbeschrijving van Remarque over wat oorlog met een gewone
soldaat doet. Uiteraard is oorlog en zijn effecten op de mens en zijn gevoelsleven
geen onbekend onderwerp in de antropologie. Desalniettemin is de
oorlogsantropologie, anders dan de oorlogsarcheologie, de oorlogsgeschiedenis
of de politieke economie van de oorlog, maar een klein wetenschappelijk veld.
Al was het maar omdat het toepassen van etnografische onderzoekstechnieken op
de oorlogservaringen van burgers en militairen grote intimiteit met de
betrokkenen vereist en daarmee grote gevaren voor eigen lijf en leden met zich
meebrengt.
Dat betekent dat wat er aan
oorlogsantropologie is geschreven vaker het buitenstandersperspectief
weerspiegelt dan dat het recht doet aan de zelfervaringen van de betrokkenen
zelf. De enige uitzondering op deze regel die ik ken, is het werk van Karl Marlantes,
een hoogopgeleide Amerikaanse marinier die gedecoreerd uit de Vietnamoorlog is
gekomen, dertig jaar geleurd heeft met de gefictionaliseerde versie van zijn
ervaringen alvorens die met veel succes te publiceren onder de titel Matterhorn:
A novel of the Vietnam war, om vervolgens, als een ware amateurantropoloog,
de grote vraag te proberen te beantwoorden: Hoe voelt dat nou, oorlog
voeren? What it is like to go to war? is een indrukwekkende
persoonlijke reflectie op wat weken aan stress, ontberingen en geweld met je
gevoelens, je oordeelsvermogen en je persoonlijkheid doen en bieden daarmee een
zeldzame inkijk van binnenuit in de werelijkheid van oorlog.
De auteur kwam echter uit een
geprivilegieerd milieu, had aan Harvard gestudeerd, was lid van de Phi Beta
Kappa studentenvereniging waar ook Bush jr lid van was geweest, was net als
Bill Clinton Rhodes scholar geweest, had zich vrijwillig gemeld bij een elite
eenheid van het Amerikaanse leger, de Mariniers, en was vervolgens als officier
naar Vietnam uitgezonden. Daarmee hebben zijn reflecties de heroïsche kleuring
die veel ooggetuigenverslagen afkomstig uit het officierscorps hebben
aankleven, geschreven als zij immers zijn door personen die posities in de
militaire hiërarchie vervullen die nu eenmaal een grotere mate van
handelingsvrijheid kennen dan voor de gewone soldaat geldt. Een nadeel dat
bijvoorbeeld ook de romans van Ernst Junger hebben aankleven.
Oorlog is een gruwel; het doodt de ziel.
En dus zijn de ervaringen van
Remarque, zoals verwerkt in Im Westen nog steeds van
onschatbare waarde om beter te begrijpen wat oorlog met gewone soldaten doet.
Deels heb ik dat al aangestipt toen ik schreef over de metafoor van de tot dier
gemaakte mens die Remarque gebruikt. Ook de rol van vijandbeelden bij het slechten
van het taboe op moord heb ik al aangestipt. Wat ik hieronder aan citaten heb
verzameld, gaat voornamelijk over de soldaat als monster, waaronder ik een
proces versta dat mensen uit de conventionele categorieën stoot: het monster
als filosofische aanduiding dus van de mens die niet meer past in de kenmerken
die de normale maatschappij conventioneel aan hem toeschrijft. Oorlog als
oorzaak van vervreemding van het conventionele beschaafde bestaan — zo zou je
het kunnen samenvatten.
Neem deze passage, over jonge
soldaten die hun verhouding tot het vanzelfsprekende gezag van volwassenen door
het eerste geweersalvo op de kop gezet zagen worden:
De eerste artillerieaanval liet ons onze fout zien, en daaronder stortte
het wereldbeeld dat onze leraren ons hadden bijgebracht in elkaar.
Terwijl zij nog schreven en spraken, zagen wij veldhospitalen en
stervenden; terwijl zij dienstbaarheid aan de staat als het allerbelangrijkste
verkondigden, wisten wij al dat de angst voor de dood sterker was.
Daarom werden wij geen muiters, deserteurs of lafaards — al die termen
kwamen zo gemakkelijk bij hen op — we hielden net zoveel van ons vaderland als
zij, en we handelden dapper bij elke aanval; maar nu onderscheidden we ons, we
hadden plotseling leren zien. En we zagen dat er niets meer over was van hun
wereld. We waren plotseling vreselijk alleen; en we moesten er alleen mee
omgaan.
Ervaringen van dood en verderf die
deze nieuwe generatie voorgoed ongeschikt maakte voor het burgerlijke leven,
met zijn idealen, verlangens en wensen. Het is eens en vooral ontmaskerd als
een leugen.
Of neem deze:
We zijn geen jongeren meer. We willen de wereld niet langer veroveren. We
zijn vluchtelingen. We vluchten voor onszelf. Voor ons leven. We waren achttien
en begonnen de wereld en het bestaan lief te hebben; we moesten ertegenin
gaan. De eerste granaat die insloeg, trof ons in het hart. We zijn afgesneden
van actie, van streven, van vooruitgang. We geloven er niet meer in; we geloven
in oorlog.
In de plaats van sociale
mobiliteit, in plaats van dromen van werk, huis en gezin, van maatschappelijke
vooruitgang, van de verwachting dat morgen beter zal zijn dan vandaag en
overmogen beter dan morgen, is de tijdloze gruwel van de oorlog getreden waarin
de ene dag zich aan de andere rijgt.
Of nog duidelijker het monsterlijke
van het soldatenleven beschrijvend, in de betekenis van oncategoriseerbaar:
We zijn verlaten als kinderen en ervaren als oude mensen, we zijn rauw,
verdrietig en oppervlakkig — ik denk dat we verdwaald zijn.
Of neem deze:
Want dat is wat we kunnen: kaarten spelen, vloeken en oorlog voeren. Niet
veel voor twintig jaar — te veel voor twintig jaar.
De IJzeren jongelingen worden ze
aan het thuisfront genoemd, waar de hoop en eer van gans het vaderland op rust:
Ja, zo noemen ze ons, zo noemen ze ons, daar thuis. IJzeren Jeugd. Jeugd!
We zijn allemaal niet ouder dan twintig jaar. Maar jong? Jeugd? Dat is lang
geleden. We zijn oude mensen.
En in datzelfde jaar, nadat Paul
gewond is geraakt en weer naar het front is gestuurd:
Ik ben jong, ik ben twintig jaar oud; maar ik ken niets van het leven
behalve wanhoop, dood, angst en de verstrengeling van de meest zinloze
oppervlakkigheid met een afgrond van lijden. Ik zie naties tegen elkaar worden
opgezet en elkaar in stilte, onwetend, dwaas, gehoorzaam en onschuldig doden.
Ik zie de slimste geesten ter wereld wapens en woorden bedenken om dit alles
nog geraffineerder en langduriger te maken. En alle mensen van mijn leeftijd,
hier en daar, overal ter wereld, zien het met mij; mijn generatie beleeft het
met mij. Wat zullen onze vaders doen als we eindelijk opstaan en voor hen
verschijnen om rekenschap te eisen? Wat zullen ze van ons verwachten als er een
tijd komt dat er geen oorlog meer is? Jarenlang was doden ons beroep — het was ons
eerste beroep ooit. Onze kennis van het leven is beperkt tot de dood. Wat zal
er daarna gebeuren? En wat zal er van ons worden?
Oorlog is een gruwel; het doodt de
ziel, van de gedoden, en van hen die doden en hebben gedood; van de
uitvoerders, en van de bevelhebbers; van de strijdenden, en van de politici die
het initiëren, faciliteren en, om met Remarque te spreken: ‘die de wapens en
woorden bedenken om dit alles nog geraffineerder en langduriger te maken.’
Jullie weten wie jullie zijn.
Ik doe, met Remarque, een
hartstochtelijk appel aan jullie om te stoppen voor het te laat is en je niet
te laten verleiden door de illusie van militaire eer om je hart te bepantseren,
maar open te staan voor de ander, te luisteren naar zijn verhaal, het te leren
zien als het tweede paneel dat onvermijdelijk jullie paneel van de oorlog, van
iedere oorlog, completeert, en vandaar gezamenlijk naar de vrede te schrijden.
Ik geef Remarque het laatste woord:
Vandaag jij, morgen ik. Maar als ik dit overleef, kameraad, dan zal ik
vechten tegen datgene wat ons heeft verwoest: jouw leven — en het mijne —? Ook
mijn leven. Ik beloof het je, kameraad. Het mag nooit meer gebeuren.
Deze belofte doet Paul in de
bomkrater aan de Franse soldaat die hij eigenhandig heeft gedood.
En een paar dagen voordat de
trompettist van het Duitse leger op 11 november 1918 het signaal van het staken
der vijandelijkheden zou blazen, op zo’n dag waarop de pers wist te melden dat
er geen nieuws van het westerse front was, wordt Paul alsnog getroffen door een
verdwaalde kogel. Toen men hem vond en hem omdraaide zag men dat hij niet
geleden kon hebben:
Zijn gezicht had een beheerste uitdrukking, bijna alsof hij tevreden was
met hoe de dingen waren gelopen.
No comments:
Post a Comment