Sunday, June 21, 2026

1540 Ewald Engelen: Een kleine antropoogie van de oorlog.

Jan Bonte was enthousiast over dit essay. 

Dus wil ik het hier graag plaatsen.

Jeffrey Sachs raadt ons steeds aan het boek van  Annie Jacobson te lezen : 

Nuclear War : A scenario. 

Ik heb DeepSeek gevraagd een  samenvatting te maken van 5 pagina's/ 

Die staan onder het essay van Ewald Engelen. 


Een kleine antropologie van de oorlog

Ewald Engelen

May 27, 2026

 

I

Het is naar verluidt na de Bijbel wereldwijd het meest gelezen boek.

Dertig tot veertig miljoen stuks zijn ervan verkocht. Het is in zoveel talen vertaald dat niemand exact weet in hoeveel. Het is maar liefst drie keer verfilmd, in 1930, in 1979 en in 2022. Het kwam de auteur in 1931 op twee nominaties voor de Nobelprijs te staan, een voor de vredesprijs en een voor de literatuurprijs. Voor de literatuurprijs ontbrak het hem echter aan een oeuvre. En voor de vredesprijs bleek hij te controversieel: het Duitse officierenverbond tekende protest aan tegen deze nominatie omdat het boek in kwestie een belediging van het Duitse leger en van de Duitse soldaat in het algemeen was.

Begin jaren dertig verstoorden de nazis om die reden de voorstellingen van de eerste verfilming ervan, die onpatriottisch werd gevonden. En nadat de nazis in 1933 in Duitsland aan de macht waren gekomen, belandde het boek al snel op de vele brandstapels van ontaarde literatuur die in die jaren op de centrale pleinen van Duitse steden werden georganiseerd. In 1939, nadat de auteur een veilig heenkomen in de VS had gevonden, werd hem door de nazis het staatsburgerschap ontnomen.

Net zoals nu diegenen die zich kritisch uitlaten over de militarisering van de Europese samenleving, zoals de Zwitserse auteur Jacques Baud en anderen, civiel dood worden verklaard, ditmaal door de Europese Commissie.

De ironie is bitter: opnieuw grijpt de grimmige geest van militarisering om zich heen, opnieuw is de waarheid het eerste slachtoffer, opnieuw blijkt dat gedachten niet vrij zijn, en opnieuw nemen de autoriteiten zich het recht voor om wel even te bepalen wat burgers wel en niet mogen zeggen en wat andere burgers wel en niet mogen lezen, zien en horen.

Het Europese vredesproject van na het nazisme dat zich zelf bezondigt aan nazistische praktijken: wie had dat in 1952, tijdens de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Staal en Kolen kunnen bedenken.

Terug naar het boek en zijn auteur.

Remarques Im Westen nichts neues blijft als aanklacht tegen oorlog en militarisering onovertroffen.

Ik heb het uiteraard over het huiveringwekkende anti-oorlogsboek, Im Westen nichts neues.

En over zijn auteur, de voormalige Duitse frontsoldaat Erich Maria Remarque.

Oorlog is een geliefd onderwerp in de Europese literatuur. Als de Ilias van Homerus als de brontekst van de Westerse literatuur beschouwd mag worden, dan kan je zelfs stellen dat de gehele Westerse literaire traditie op oorlog is gestoeld. En ook al gingen Shakespeare met zijn Rozenoorlogen en Tolstoj met zijn herinneringen aan de Krim oorlog en uiteraard zijn monumentale klassieker uit 1867 over de nederlaag van Napoleon tijdens zijn Russische veldtocht, Oorlog en vrede, Remarque voor, er zijn weinig oorlogen die zoveel wereldliteratuur hebben opgeleverd als de Grote Oorlog van 14-18. Van Britse war poets als Sigfried Sassoon, Wilfred Owen en Robert Graves tot aan romanschrijvers als Ferdinand Céline, Ernst Jünger, Jaroslav Hasek, Ford Maddox Ford, Ernest Hemingway en, opnieuw, Robert Graves.

En waarschijnlijk is dat omdat de Eerste Wereldoorlog met zijn massale inzet van moderne moordzuchtige artillerie en zijn frontlijn die ondanks de gigantische offers die de oorlogvoerenden brachten in vier jaar tijd nauwelijks bewoog, tot de belichaming bij uitstek van militaire zinloosheid is geworden. De essentie van industriële oorlogvoering is immers dat het nauwelijks ruimte laat voor de sentimentaliteit van soldatenheroïek. Geen futielere oorlog dan de industriële oorlog — het is een inzicht dat het militaire apparaat, zijn politieke woordvoerder en, verbijsterend genoeg, pers en intelligentsia anno 2026 met hun lichtzinnige roep om oorlog en hun hitsige geilen op uniforms en wapens kennelijk zijn vergeten.

En ook al hebben Jünger, Céline, Hasek en Ford waarschijnlijk betere literatuur afgeleverd, met spannendere composities, rondere karakters en ambitieuzere plots, om over Pat Barkers Regeneration trilogy maar te zwijgen, Remarques Im Westen nichts neues blijft als aanklacht tegen oorlog en militarisering onovertroffen. Niet alleen omdat alle pacifistische argumenten tegen oorlog en het militaire apparaat en zijn politieke pennenlikers er in staan, maar ook omdat het zich met net iets meer dan twee honderd paginas in een paar dagen laat lezen waardoor het inderdaad geschikt is als antimilitaristisch manifest — wat Remarque in 1931, zoals gezegd, twee nominaties voor de Nobelprijs opleverde.

Nu wij opnieuw aan de vooravond lijken te staan van het normaliseren van militarisering en oorlog wil ik, ter waarschuwing en als appel aan het denkend deel der natie dat zich al vier jaar zo onnadenkend betoont, een aantal passages uit Im Westen nichts neues (vanaf nu: Im Westen) hier reproduceren en kort van commentaar voorzien.

II

Het begint met het opschrift waarmee Im Westen aanvangt.

Dit boek is noch een aanklacht, noch een bekentenis. Het is slechts een poging om het verhaal te vertellen van een generatie die door de oorlog is verwoest — zelfs zij die aan de granaten zijn ontsnapt.

De eerste zin is pure ironie. Het boek is namelijk wel degelijk gebaseerd op Remarques persoonlijke ervaringen. De belevenissen van de verteller, Paul, zijn namelijk grotendeels de belevenissen van de auteur, tot en met de aard van zijn verwondingen, zijn verblijf in meerdere lazaretten, en de ziekte van zijn moeder. En is daarmee wel degelijk een bekentenis.

En is om die reden dan ook wel degelijk als een mokerslag van een aanklacht gelezen: omarmd door de omvangrijke pacifistische beweging van na de Grote Oorlog; vervloekt door de frontmilities die in zowel Italië als Duitsland na de oorlog de ruggengraat werden van het revanchistische, gemilitariseerde nationalisme dat het opkomend fascisme en nationaalsocialisme voedde.

De tweede zin schetst bruusk en kort wat oorlog doet: het vernietigt niet alleen al het menselijk leven, het verwoest ook de civilisatie en iedere spiritualiteit, iedere verfijning, elke beschaving, elke hang naar het hogere en transcendente. Het maakt van de met rede, gevoel en zielenroerselen begiftigde mens een ‘menselijk dier’, zoals Remarque in het boek talloze malen de frontsoldaat zal noemen.

Het fineer van beschaving dat het taboe op geweld schraagt en dat we gezamenlijk in decennia van vredeswerk hebben opgebouwd, zou wel eens dunner kunnen blijken dan we nu denken.

En daarmee verwees hij niet naar de amoralitet van het dier, alsof het zinloze doden van de medemens een dierlijke eigenschap zou zijn en alsof dieren op grootschalige, industriele moord zijn te betrappen. Integendeel, door het hele boek heen fungeren dieren en natuur als het absolute contrapunt van de door mensen gemaakte hel die oorlog heet. En de meest aangrijpende passage van het boek, althans voor deze lezer, was die waar Remarque het heeft over het huilen van de vele paarden die werden ingezet als last- en trekdier en die, getroffen door granaatscherven, kogels, rondspattend puin en gifgas, gek van pijn en angst, hun aanklacht tegen de monsterlijke mens het firmament in slingerden. Het is een geluid dat zelfs de meest geharde frontsoldaat door merg en been gaat.

Dit laat Remarque een van zijn personages daarover zeggen:

Detering beent al vloekend weg: “Ik wil weten waar ze schuldig aan zijn.” Hij komt later terug. Zijn stem klinkt opgewonden, bijna plechtig, als hij zegt: “Ik zeg je dit: het is de grootste schande dat er dieren in onze oorlog zijn.”

Acht miljoen paarden, ezels en muildieren zijn naar verluidt tijden de Grote Oorlog omgekomen. En tijdens de Tweede Wereldoorlog, die zogenaamde gemotoriseerde oorlog, nog een keer tussen de twee en vijf miljoen.

Nee, de dierlijkheid verwijst naar het instinctieve, het pre-rationele, dat de frontsoldaat heeft ontwikkeld, dat hem in staat stelt te overleven in de diep-vijandige wereld van het front, een wereld van staal, gas en modder, waar de dood een constante is. De frontsoldaat wordt pas zwak wanneer hij zich overgeeft aan melancholie, aan heimwee, aan herinneringen van het zachte, verfijnde civiele leven waaruit hij is weggerukt. Wanneer hij, met andere woorden: aan het denken slaat. Onnadenkend doden en overleven: dat is wat Remarque met de frontsoldaat als menselijk dier bedoelt.

Ook zij die het overleven, zijn door de oorlog echter voorgoed aangetast. En in de jaren dat Remarque aan zijn roman schreef, die in 1929 en 1930 eerst als feuilleton verscheen, moet hij die verwoestingen om zich heen hebben gezien. Niet alleen verminkte gezichten en alomtegenwoordige protheses, maar ook een ruwheid en grofbesnaardheid die de erfenis van de loopgraaf was, waardoor het taboe op geweld flinterdun was geworden. De heiligheid van het leven en het absolute taboe op het nemen van het leven van anderen: hoe dat te herstellen bij een generatie die vier jaar lang was gevraagd zonder aanziens des persoons te moorden en had geleerd hoe weinig het leven waard was? Zonder de herinnering aan de loopgraaf had het Duitse openbare leven in het interbellum nimmer zo snel en makkelijk kunnen militariseren en had de Duitse elite en het Duitse volk zich nimmer zo snel en makkelijk opnieuw in een orgie van grootschalig, georganiseerd, geïndustrialiseerd geweld kunnen verliezen.

Of in de woorden van Remarque, een eindje verder in het boek:

En ik weet het: alles wat we nu meemaken, zolang we in oorlog zijn, zinkt als een steen in ons weg, zal na de oorlog weer bovenkomen, en dan zal de strijd op leven en dood pas echt beginnen. De dagen, de weken, de jaren hier aan het front zullen terugkeren, en onze gesneuvelde kameraden zullen opstaan ​​en met ons meemarcheren, onze geest zal helder zijn, we zullen een doel hebben, en dus zullen we marcheren, onze gesneuvelde kameraden naast ons, de jaren van het front achter ons — tegen wie?

Het bevat een belangrijke waarschuwing aan hen die nu oproepen tot oorlog en militarisering: het fineer van beschaving dat het taboe op geweld schraagt en dat we gezamenlijk in decennia van vredeswerk hebben opgebouwd, zou wel eens dunner kunnen blijken dan we nu denken. En als het eenmaal weg is, als het taboe op grootschalig, georganiseerd geweld eenmaal doorbroken is, staat de deur wagenwijd open naar het type zielloze, cynische calculaties waarin militairen uitblinken: alles is toegestaan zolang de sterfratios maar groter dan een zijn, zolang er maar meer eenheden aan de andere kant onschadelijk worden gemaakt dan wij zelf verliezen. Het is een logica waarin ten langen leste ook de inzet van kernwapens denkbaar en bespreekbaar wordt.

Bloemenkinderen noemt een redacteur van progressief weekblad badinerend de pacifisten die zich verzetten tegen militarisering.

Net als nu, kwam de oorlog ook toen na een relatief lange periode van vrede. De laatste grote oorlog die het Duitse leger had gevochten, was de Frans-Duitse oorlog van 1870-71. En zoals de Britse minister van defensie, Edward Grey, in 1908 in reactie op een interview in de Daily Telegraph met de Duitse keizer liet optekenen:

Na een grote oorlog wil een land een generatie of langer geen nieuwe, totdat het, na een jaar of veertig, als het land sterk genoeg is, ernaar begint te verlangen. Zo verging het ons, tussen de veertig en vijftig jaar na de Krimoorlog, en zo verging het de Russen; en zo verging het ook de Amerikanen, bijna veertig jaar na de burgeroorlog. Het is nu 38 jaar geleden dat Duitsland zijn laatste oorlog voerde, en het land is erg sterk en erg onrustig, als iemand wiens schoenen te krap zijn. Ik denk niet dat er op dit moment een oorlog zal uitbreken, maar het zal moeilijk zijn om de vrede in Europa de komende vijf jaar te bewaren.

Zes jaar later was het zover.

III

Wie gewend is aan vrede en het zachte gemoed en de fijnbesnaardheid waarmee dat gepaard gaat voor vanzelfsprekend houdt, kan aan oorlog en de morele scherpte die het brengt een zin en betekenis ontlenen die het als de oplossing voor alle vage beschavingsklachten waarmee samenlevingen worstelen doet verschijnen. Zo was het toen: oorlog als oplossing voor de crisis van de mannelijkheid, schrijft de Australische historicus Christopher Clark in een bijzinnetje in zijn monumentale reconstructie van de aanloop naar de Grote Oorlog van 14-18, Sleepwalkers. Met lust en plezier, dronken van het vooruitzicht van eer en glorie, stortten in die dagen samenlevingen zich in het oorlogsavontuur.

En zo lijkt het ook nu te zijn: oorlog als antwoord op de verveling van het egocentrische neoliberale leven. Bloemenkinderen noemt een redacteur van progressief weekblad badinerend de pacifisten die zich verzetten tegen militarisering. Zondagskinderen noemt een columniste van een grote Nederlandse krant de generaties die in vrede zijn opgegroeid en die vrede graag blijven koesteren. Niet zo zeuren, moeten we volgens haar: vrede is niet gratis maar vereist offers die de politiek best van ons mag vragen. Terwijl zij en de haren dondersgoed weten dat zijzelf en hun klasse nooit gevraagd zullen worden om het ultieme offer te brengen dat hun lichtzinnige oorlogsretoriek wellicht van ze gaat vragen. Het Latijns cliché van si vis pacem, para bellum heeft oorlog nooit voorkomen en alleen maar wapenwedlopen veroorzaakt.

Het is iedere oorlog opnieuw een raadsel hoe de vermeend vrije en objectieve pers zich voor dit militaristische karretje laat spannen.

Zo beschrijft Remarque het, in een passage die is gewijd aan de middelbare schoolklas van het hoofdpersoon, die zich in de herfst van het eerste oorlogsjaar en masse voor het Duitse leger aanmeldt:

Een van ons aarzelde echter en wilde eigenlijk niet gaan. Dat was Joseph Behm, een stevige, joviale kerel. Uiteindelijk werd hij overgehaald; anders zou hij zichzelf belachelijk hebben gemaakt. Misschien dachten er nog wel meer mensen zo over; maar niemand kon er gemakkelijk aan ontkomen, want in die tijd gebruikten zelfs ouders al snel het woord laf. Mensen hadden simpelweg geen idee wat er te wachten stond. De arme en eenvoudige mensen waren eigenlijk het meest verstandig; zij beschouwden de oorlog meteen als een ramp, terwijl de welgestelden dolblij waren, ook al hadden juist zij zich veel eerder bewust kunnen zijn van de gevolgen.

Deze passage is om zeker vier redenen belangrijk. Ten eerste omdat het inzichtelijk maakt hoe belangrijk groepsdruk is in verbreiden en bestendigen van oorlogslust. Niet alleen de schoolkameraden en de onderwijzer bleken instrumenteel in het aanmelden voor het leger, zelfs de ouders, gezinsleden, familieleden, geliefden en kennissen waren dat. “Lafheid”, “gebrek aan patriottisme”, “geen vaderlandsliefde”, of, in onze tijd, “vatnik”, “poetinpijper”, “Russian asset”, zijn de morele piketpalen waarmee de goeden van de slechten worden gescheiden, terwijl het negatieve sociale oordeel, eindeloos herhaald, tegelijk de wortel en de stok is waarmee de slechten worden gemaand om naar het kamp van de goeden te komen. Het is de essentie van alle oorlogspropaganda. Door, als in een liturgie, steeds opnieuw dezelfde morele oordelen over zelf en ander te herhalen worden vriend- en vijandbeelden geconstrueerd en worden de morele piketpaaltjes steeds dieper in de patriottische humus van het pre-bewuste geslagen. Het is iedere oorlog opnieuw een raadsel hoe de vermeend vrije en objectieve pers zich voor dit militaristische karretje laat spannen.

Ook anno 2026 weer: de Russen zijn autocratische kindermoordenaars, de Oekraïners zijn helden die strijden voor onze democratie en vrijheid. Het zijn clichés die in de bordkartonnen wereld van de cartoon thuishoren maar nu door doodserieuze mensen op een doodserieuze wijze worden gebracht alsof het de diepste ontologische wijsheden zijn die ze in hun hele leven zijn tegengekomen.

Ten tweede dat dat sociale oordeel gebaseerd was op een veel te rooskleurig, heroïsch beeld van wat oorlog werkelijk behelsde: “mensen hadden simpelweg geen idee wat er te wachten stond”, schrijft Remarque terecht. En het doel van zijn boek was natuurlijk om anno 1930, bij opkomende militarisme en nationalisme, mensen er aan te herinneren wat de ware aard van oorlog was.

Ten derde, dat die onwetendheid een klassencomponent had: vooral de gegoede burgerij wentelde zich in die onwetendheid en kon zich daardoor, doordat ze geen benul hadden van de materialiteit van oorlog, draperen in de sentimentele soldatenheroïek van het patriottisme. De “arme en eenvoudige mensen”, zoals Remarque ze noemt, wisten wel beter en hadden dondersgoed door dat de oorlog een ramp was — vooral, zo zou ik er zelf aan toegevoegd hebben, omdat zij, hun zonen en dochters, het zijn die de fraai onderhouden oorlogsgraven van erna mogen vullen, die monumenten van patriottisme voor de oorlogen die nog moeten komen.

Vervolgens laat Remarque een van zijn personages, Katczinsky, in de rest van het boek Kat genoemd, die symbool staat voor gezond verstand en boerenslimheid en die gedurende het verhaal meerdere malen zijn kameraden met zijn boerenslimheid het leven zou redden, het volgende zeggen:

Katczinsky beweert dat dit komt door het onderwijs, dat het je dom maakt. En waar Katczinsky over nadenkt, daar heeft hij wel degelijk over nagedacht.

Oftewel, hoe meer jaren je op school (universiteit, hbo) hebt gezeten hoe bevattelijker je bent voor de oorlogspropaganda van politiek en pers en hoe gevoeliger je bent voor het morele narratief van goed versus kwaad dat aan de wieg van iedere oorlog staat. Deels is dat ingegeven door belangen: de oorlog wordt immers grotendeels uitgevochten door de arbeiderszonen en -dochters, niet door de zonen en dochters van de welgestelden. En deels is dat een gevolg van een groter vertrouwen in instituties en bureaucratisch gezag, die immers verantwoordelijk zijn voor een samenleving die op jouw burgerlijke maat is gesneden — en is het daarmee opnieuw een belangenkwestie: zoals de gevallenen in Vietnam vooral zwarte jongens waren, zo waren de gevallenen in de Grote Oorlog vooral arbeidersjongens en boerenzonen, en zo zijn opnieuw de gevallenen in de Oekraïne-oorlog vooral arbeiders en middenstanders.

Kauw daar maar eens op: alleen het lazaret laat zien wat oorlog is.

Het is een observatie die ook in het Nederland van 2026 gemaakt kan worden: de meest enthousiaste steun voor de vergeefse oorlog in Oekraïne komt van de kletsende klasse, de mensen die in landen als Nederland de instituties en organisaties van werkelijkheids- en waarheidsdefinitie bevolken en die over het algemeen de universiteit hebben doorlopen. En die over het algemeen genomen een verdraaid kleine kans lopen om als soldaat aan het front terecht te komen. Terwijl de praktisch geschoolden gekenmerkt worden door een, in mijn ogen, gezond wantrouwen jegens de verhalen die de instituties hen vertellen en om die reden grote vraagtekens plaatsen achter zowel de militarisering als de onvoorwaardelijke steun voor het regime-Zelensky. Het verschil tussen deze twee standpunten verdiept vervolgens op zijn beurt alleen maar meer het wantrouwen van de praktisch geschoolden jegens de kletsende klasse in pers en politiek, die mooi kunnen praten maar als het puntje bij paaltje komt het Grote Sterven aan de kinderen van de praktisch geschoolden laat.

Remarque nog een keer, over de ware aard van oorlog die de elite nimmer te zien krijgt, waardoor oorlog voor de gemiddelde politicus een instrument naast andere kan blijven — inderdaad diplomatie met andere middelen — in plaats van de hel die het is:

Het is onbegrijpelijk dat boven zulke verminkte lichamen nog steeds menselijke gezichten te zien zijn, waarin het leven zijn dagelijkse gang voortzet. En dit is slechts één veldhospitaal, slechts één afdeling – er zijn er honderdduizenden in Duitsland, honderdduizenden in Frankrijk, honderdduizenden in Rusland. Hoe zinloos is alles wat ooit is geschreven, gedaan of bedacht als zoiets mogelijk is! Het moeten allemaal leugens zijn als zelfs millennia van cultuur niet konden voorkomen dat deze rivieren van bloed worden vergoten, dat deze gevangenissen van marteling met honderdduizenden tegelijk bestaan. Alleen het veldhospitaal laat zien wat oorlog is.

Kauw daar maar eens op: alleen het lazaret laat zien wat oorlog is.

IV

Nog voor zij daadwerkelijk naar het front zijn gestuurd, vergaat de jongens die zich in 1914 zo vol enthousiasme voor het leger hebben aangemeld het lachen reeds. De absurditeit van de militaire hiërarchie is de reden voor deze ontnuchtering.

Remarque:

We ondergingen tien weken militaire training en werden in die tijd ingrijpender veranderd dan in tien jaar school. We leerden dat een gepoetste knoop belangrijker is dan vier delen van Schopenhauer. Eerst verbijsterd, toen verbitterd en uiteindelijk onverschillig, beseften we dat het niet de geest was die ertoe deed, maar de poetsborstel; niet de gedachte, maar het systeem; niet de vrijheid, maar de dril. We waren soldaten geworden met enthousiasme en goede wil; maar alles werd gedaan om dat uit te roeien. Na drie weken was het voor ons niet langer onbegrijpelijk dat een postbode in schort meer macht over ons had dan onze ouders, onze leraren en alle culturele kringen van Plato tot Goethe samen ooit hadden gehad.

Er is niets heroïsch aan het dienstnemen in een leger dat is gebaseerd op diezelfde fijnmazige arbeidsdeling als willekeurig welk ministerie of willekeurig welke autofabriek. Als soldaat lever je je identiteit, je authenticiteit, je hele zijn en wezen in zodra je de kazerne betreedt en wordt je gereduceerd tot een radertje in een onbegrijpelijke machine die functioneert volgens onbegrijpelijke en vaak volkomen absurde regels. Met meritocratie, excelleren en heroïek heeft het allemaal niets te maken, met kadaverdiscipline, met je onderwerpen aan de regels van een domme machine, bemenst door domme functionarissen des te meer.

Dit is de stof waaruit briljante klassiekers als Jaroslav Haseks Soldaat Sjvek, Joseph Hellers Catch 22 en de tv-serie M*A*S*H* zijn geweven: de absurditeit van een domme bureaucratie die over leven en dood beslist en waar geen ontsnappen aan is — het leger, dus, als de ultieme modernistische nachtmerrie.

Illustratief voor deze modernistische absurditeit is de scene waarin de legereenheid van het hoofdpersoon zich moet voorbereiden op een inspectie door de Duitse Keizer:

Er wordt flink gepoetst. Het ene appél na het andere. We worden van alle kanten geïnspecteerd. Alles wat gescheurd is, wordt ingeruild voor iets goeds. Ik krijg een gloednieuwe jas. Kat krijgt natuurlijk zelfs een compleet uniform. […] Eindelijk komt het gerucht naar buiten: de keizer komt voor een inspectie. Dat verklaart al die inspecties. Acht dagen lang waan je je in een rekrutenkazerne, zo intensief zijn de werkzaamheden en oefeningen. Iedereen is chagrijnig en nerveus, want overmatig schoonmaken is niets voor ons, en paraderen al helemaal niet. Het zijn juist dit soort dingen die een soldaat meer irriteren dan de loopgraven. Eindelijk is het zover. We staan ​​in de houding en de keizer verschijnt. We zijn benieuwd hoe hij eruitziet. Hij loopt met vastberaden stappen vooraan, en ik ben eigenlijk een beetje teleurgesteld: op basis van de fotos had ik me hem groter en krachtiger voorgesteld, en vooral met een veel luidere stem.

Hij deelt IJzeren Kruisen uit en spreekt de een na de ander toe.

Het zijn scènes die iedereen die in een grote bureaucratische organisatie en in een van zijn onderafdelingen bivakkeert, kent: de bestuurder komt met zijn entourage poolshoogte nemen. “Veldbezoek” heet het. En voor het personeel betekent het “spit and polish”, zoals de Engelsen het noemen. Een mooiere werkelijkheid voorspiegelen om de aandacht van het bestuur te doen afglijden naar een andere onderafdeling, hier is immers alles precies zoals het bestuur het wenst, om in de schemer van de eigen autonomie weer te kunnen doen wat men altijd deed en weer heerlijk de kantjes ervan te kunnen aflopen. Het is één groot toneelstuk, waarin iedereen zijn rol speelt, maar waarvan net gedaan wordt alsof het de werkelijkheid is. Een simulacrum dat iedereen doorziet. Draaglijk zolang er niets op het spel staat, zoals in vrijwel alle organisaties; ondraaglijk als het gaat om totalitaire instituten als het leger.

Zo ook hier:

Om het nog erger te maken, moeten we bijna alle nieuwe spullen terugbrengen en krijgen we onze oude rommel weer terug. De goede spullen waren er alleen voor de sier.

Voeg er de zinloosheid van massaslachtingen en massaverminkingen om enkele meters omgeploegde aarde aan toe, en je houdt de kwadratuur van moderne zinloosheid over.

Remarque:

We zien mensen leven zonder schedel; we zien soldaten rennen met beide voeten eraf geblazen; ze struikelen over versplinterde stompjes naar de volgende krater; een soldaat kruipt bijna een kilometer op zijn handen, zijn verbrijzelde knieën achter zich aan slepend; een ander gaat naar de EHBO-post, zijn ingewanden uit zijn handen puilend; we zien mensen zonder mond, zonder onderkaak, zonder gezicht; we zien iemand die met zijn tanden de slagader in zijn arm dichtknijpt om het doodbloeden te stoppen, de zon komt op, de nacht valt, de granaten fluiten, het leven is voorbij.

Toch heeft het stukje omgewoelde aarde waar we liggen standgehouden tegen de overweldigende kracht; slechts een paar honderd meter is verlaten. Maar voor elke meter ligt er een dode.

Operatie geslaagd, patiënt overleden, zeg maar.

V

Dat oorlog klassenstrijd met andere, gruwelijke middelen is, is een van de rode draden die door het hele boek heenloopt. Tussen de zojuist geciteerde passages bevindt zich een paginalange conversatie tussen het hoofdpersoon, Paul, en zijn kameraden over de aard van oorlog. Eerder liet een van zijn kameraden weten dat oorlog, om het modern te zeggen, een performatief construct is. Het is een wilsbesluit van een regeringsleider geweest die de ander, om met de nazi-jurist Carl Schmitt te spreken, van een tegenstander in een existentiële vijand heeft gemaakt, die te vuur en te zwaard moet worden bestreden.

Remarque:

Een bevel heeft van deze zwijgende figuren onze vijanden gemaakt; een bevel zou hen in onze vrienden kunnen veranderen. Aan een tafel wordt een document ondertekend door mensen die niemand van ons kent; en al jaren is ons hoogste doel datgene waarop de minachting van de wereld en haar zwaarste straf rusten.

Oorlog is een sociale constructie, bedacht en geïnitieerd door lieden die nimmer een vijand zullen aanschouwen, nimmer een trekker zullen overhalen, nimmer een loopgraaf van binnen zullen zien, nimmer zullen worden blootgesteld aan het “Stahlgewitter” van artillerie en spervuur, of in hedendaagse termen: het “Dronegewitter”, en nimmer enig risico op lichamelijk letsel zullen lopen.

Om met Hannah Arendt te spreken: zij die op oorlog aansturen en uiteindelijk de oorlogsverklaring zullen tekenen, zijn in de meest letterlijke betekenis van het woord de eigenlijke “Schreibtischmörder”, al was het maar omdat zij hem met net zo’n inspanningsloze geste kunnen doen stoppen. Oorlog verklaren en vrede sluiten, doe je immers met dezelfde zwierige handtekening. En omdat dat zo is, laat Remarque een van zijn personages zeggen dat een oorlog eigenlijk uitgevochten zou moeten worden door diegenen die haar beginnen, niet door het volk dat er niets mee te maken heeft, er geen brood in ziet en er geen enkele baat bij heeft:

[Kropp] suggereert dat een oorlogsverklaring een soort openbaar feest zou moeten zijn, met kaartjes en muziek, zoals bij stierengevechten. Dan zouden de ministers en generaals van beide landen elkaar in de arena in hun zwembroeken moeten aanvallen, gewapend met knuppels. Wie als laatste overeind zou blijven, zou gewonnen hebben. Dat zou eenvoudiger en beter zijn dan hier, waar de verkeerde mensen tegen elkaar vechten.

Laconisch meldt Remarque dat Kropp een denker is — anders dan de zelfverklaarde denkers die oorlog boven vrede prefereren, zo lijkt hij daarmee te suggereren. Zoals de eerder genoemde columnist van een grote Nederlandse krant of zoals de boven genoemde redacteur van een progressief weekblad, en vele andere leden van de Europese intelligentsia: denkers die het denken zijn verleert; moralisten die de moraal achter zich hebben gelaten.

Waarom wordt ons niet verteld hoe het de Russische soldaat vergaat, de Russische burgers, die net zo goed onder het vuur van drones, raketten en artillerie lijden?

Hoe ontstaat een oorlog, vraagt een van Pauls kameraden, Tjaden geheten, in de boven genoemde conversatie.

Meestal beledigt het ene land het andere diep, antwoordt Albert met een zekere superioriteit.

Maar Tjaden neemt daar geen genoegen mee.

Een land? Ik snap het niet. Een berg in Duitsland kan een berg in Frankrijk niet beledigen. Of een rivier, of een bos, of een graanveld.

Ben je echt zo dom, of doe je alsof? gromt Kropp. Dat bedoel ik niet. De ene staat beledigt de andere—

Dan heb ik hier niets te zoeken, reageert Tjaden, ik voel me niet beledigd.

Jou valt ook niets uit te leggen, zegt Albert boos, gelukkig doe jij als dorpsidioot er toch niet toe.

Dan kan ik net zo goed naar huis gaan, antwoordt Tjaden, en iedereen lacht.

Opnieuw benadrukt Remarque hier de irrationaliteit van oorlog: de een beledigt de ander. Is dat een goede reden voor de grootschalige wederzijdse vernietiging die oorlog is? Schelden doet toch geen pijn? Wat doet eer ertoe als er levens op het spel staan? We zijn toch geen kinderen. Appeasement, een doodzonde? Wat is daar erg aan als je er honderdduizenden levens mee kan redden?

En opnieuw benadrukt hij dat het imaginaire collectief, het vaderland, het wij, het samen dat ook tijdens corona werd ingezet om burgers te disciplineren, aan het zicht onttrekt dat dat wij objectief gesproken niet bestaat. Het is de elite die de oorlog verklaart, die daar belang bij denkt te hebben; het is het volk dat de oorlog moet vechten en dat met leven, goed en have bekoopt. Oftewel, wie is het vaderland? En wie bepaalt wie tot dat imaginaire collectief behoort en wie niet?

Het zijn deze simpele, bijna kinderlijke vragen naar de aard van het wij die ten grondslag ligt aan het patriottisme, die Remarque zijn personages steeds opnieuw laat stellen.

Huiveringwekkend is de nachtelijke scene waarin het hoofdpersoon tussen de linies verdwaald raakt, in een bomkrater beschutting zoekt, daar bezoek krijgt van een Franse soldaat, hem een frontdolk in de nek steekt en vervolgens, tijdens diens langdurige doodsstrijd berouw krijgt en door het vijandbeeld heen plotseling het gedeelde mens-zijn ontdekt:

Kameraad, ik wilde je niet doden. Als je weer in deze krater zou springen, zou ik het niet doen, mits jij mij niet zou hebben aangevallen. Maar eerst was je slechts een abstractie, een vijandbeeld dat in mijn hoofd rondspookte en een beslissing teweegbracht; dat beeld heb ik neergestoken. Nu zie ik voor het eerst dat je een mens bent zoals ik. Ik dacht aan je handgranaten, je bajonet en je wapens; nu zie ik je vrouw en je gezicht en wat we samen hebben meegemaakt. Vergeef me, kameraad! We zien het altijd te laat. Waarom wordt ons niet steeds opnieuw verteld dat je net zo arm bent als wij, dat je moeders net zo bang zijn als de onze, en dat we dezelfde angst voor de dood, hetzelfde sterven en dezelfde pijn kennen?

Inderdaad, waarom wordt ons dat niet verteld? Waarom wordt ons niet verteld hoe het de Russische soldaat vergaat, de Russische burgers, die net zo goed onder het vuur van drones, raketten en artillerie lijden? Zijn hun lichamen niet net zo kwetsbaar als die van Oekraïense burgers en soldaten? Bloeden zij niet net zo hard? Sterven zij niet even snel? Zij hebben toch evenmin om deze oorlog gevraagd? Zij zijn toch evenmin verantwoordelijk voor de beslissingen van hun regeringsleiders die om redenen van eer en gezichtsverlies, daarbij gesteund door de waanbeelden van Europese regeringsleiders, weigeren om vrede te sluiten?

Het is precies deze reflectie op de wederzijdse vijandbeelden en de belangen erachter die we de afgelopen vier jaar van de kant van pers en politiek zo verduiveld weinig hebben gezien: namens wie spreekt de regering Zelensky? Bestaat er wel een Oekraïens wij? Is er wel een Europees belang? Spreken Von der Leyen en Kallas wel namens Europese burgers? Tjaden speelt in Im Westen de rol van de nuchtere scepticus die we in het Europese publieke debat over nut en noodzaak van militarisering zo node missen en die normaal gesproken zou zijn toegevallen aan die instituties die een “open samenleving” geacht worden waarheid tegen macht te spreken: media en academia — en die dat nu al vier jaar schromelijk laten afweten.

Waarom is er dan überhaupt oorlog vraagt een van hen vervolgens: er moeten toch mensen zijn die er baat bij hebben?

Nou, ik hoor daar niet bij, grijnsde Tjaden. Jij ook niet, en niemand hier.

Wie dan wel? drong Tjaden aan. Hij is nutteloos voor de keizer. Hij heeft alles wat hij nodig heeft.

Zeg dat nou niet, antwoordde Kat. Hij heeft nog niet eens een oorlog gevoerd. En elke belangrijke keizer heeft minstens één oorlog nodig, anders wordt hij niet beroemd. Zoek het maar op in je schoolboeken.

Generaals worden ook beroemd door oorlog, zei Detering.

Nog beroemder dan keizers, bevestigde Kat.

Er zitten vast nog andere mensen achter die van oorlog willen profiteren, mopperde Detering.

En hier vinden we in één conversatie de twee belangrijkste redenen die in de discipline van de Internationale Betrekkingen voor oorlog opgevoerd worden: het atavistische eergevoel van de krijger uit het heraldieke tijdperk, hier belichaamt door de Keizer en de generaal en hun zucht naar eeuwige roem. En het economische nut van kapitaalbezitters die oorlogen hebben aangegrepen om hun omzetten en winsten te vergroten en dikke oorlogsdividenden in hun zak te steken. Dat is waar Detering aan het slot van dit korte gesprek mopperig naar verwijst: de andere mensen die van oorlog willen profiteren. De Krupps van destijds, zijn de Rheinmetalls van tegenwoordig. En wie hun cynische hebzucht geëtaleerd wil zien, moet eens naar de clipjes kijken die op wapenbeurzen zijn geschoten, waar onze politici zichzelf zo gretig laten feteren en met hun speeches een sluier van publiek belang over cynische hebzucht draperen.

Deze journalistieke gelijkschakeling is de slechtste dienst die de pers de Nederlandse samenleving kan bewijzen: een kletsende klasse die uit een keel kakelt.

Maar misschien, zo laat Remarque aan het einde van de conversatie als mogelijkheid in de lucht hangen, is dat allemaal toch te rationeel en is oorlog meer een koorts dan een berekening, een koorts bovendien die fiks is opgestookt door pers en propaganda:

Ik denk dat het meer op een koorts lijkt, zegt Albert. Niemand wil het echt, en dan is het er ineens. Wij wilden de oorlog niet, de anderen beweren hetzelfde — en toch is de halve wereld er volledig bij betrokken.

Maar ze liegen daar meer dan hier, antwoord ik. Denk maar aan de pamfletten die de gevangenen ons gaven, waarin stond dat we Belgische kinderen opaten. De mensen die dat soort dingen schrijven, zouden opgehangen moeten worden. Zij zijn de echte schuldigen.

En hier hebben we in een paar zinnen meer mediakritiek dan de Nederlandse mediaconsument de afgelopen vier jaar van de kant van de Nederlandse intelligentsia heeft gekregen. Het equivalent van de Franse propagandisten van toen zijn de redacteuren van progressieve weekbladen nu die in hun schrijfsels over hybride oorlogvoering alleen woordvoerders van het Brusselse veiligheidscomplex aan het woord laten, niet beseffend dat dit even ver verwijderd is van neutrale, kritische berichtgeving als de potsierlijke bangmakerij van de propagandisten van toen.

Om maar te zwijgen van hoog aangeschreven staande journalisten die hun perskaart inleveren om zich te kunnen transformeren in filantropisch activisten voor de Oekraïense zaak, omdat het absolute kwaad van Poetin nu eenmaal een morele stellingname afdwingt, onder het motto: wie zich nu niet uitspreekt, heult met de duivel. Het is in zijn anti-intellectualisme niet ver verwijderd van het verderfelijke brein waaruit het broodje aap verhaal van de kannibalistische Duitse soldaat is ontsproten.

Het zogenaamde bevestigingsvooroordeel — of op zijn Engels: confirmation bias — is niet alleen een doodzonde onder wetenschappers maar ook onder journalisten. En toch is dat wat we nu al vier jaar in de pers tegenkomen: één grote orgie van bevestiging van de eigen morele vooroordelen die paraderen als waren zij de gestaalde conclusies van messcherpe intellectuelen. En die bovendien lijken te worden gestaafd door oorlogscorrespondenten die, zoals sinds de eerste Golfoorlog gebruikelijk is, embedded zijn, uit de aard van die praktijk maar één zijde meemaken en zien, en dus per definitie gekleurd berichten, en aan het thuisfront, zeker onder de andere leden van de journalistieke professie, bekleed worden met de autoriteit van ooggetuigen die, gezien de brede maatschappelijke dominantie van de postmoderne standpuntkennisleer, volgens welke uitsluitend ervaringskennis het recht van spreken geeft, over de ultieme argumentatieve troefkaart beschikken: ben je er al eens geweest? Daarmee ieder weerwoord maar ook iedere distantie die nodig is om tot afgewogen oordeel te komen op voorhand wegwuivend.

En als dan eens iemand afkomstig uit de journalistieke professie de stoute schoenen aantrekt en voor de verandering besluit met de vijand zelf te praten, dan is hoon en uitsluiting zijn deel. In Rusland ben je als journalist alleen welkom als je je houdt aan het Russische script, deze journalist was welkom, dus is zijn journalistieke productie per definitie Russische propaganda, luidt het syllogisme. En dat uit de pennen van leden van een intelligentsia die zich voorstaat op zijn weldenkendheid, zijn belezenheid, zijn ernst en zijn superieure morele oordeelsvermogen, die zich er desalniettemin geen enkele rekenschap van geeft dat datzelfde evenzeer geldt voor de eigen zijde. God verhoedde dat de eigen oordelen eens ontmaskerd mochten worden als de doodordinaire vooroordelen die het in wezen zijn! Liever verbieden wij het tegenverhaal dan dat wij uit de botsing der verhalen (‘choc des opinions’) tenminste een splinter van waarheid laten ontstaan.

Deze journalistieke gelijkschakeling is de slechtste dienst die de pers de Nederlandse samenleving kan bewijzen; een kletsende klasse die uit een keel kakelt.

VI

Een kleine antropologie van de oorlog heb ik dit opstel als titel meegegeven en daar wil ik dan ook mee afsluiten, met de zelfbeschrijving van Remarque over wat oorlog met een gewone soldaat doet. Uiteraard is oorlog en zijn effecten op de mens en zijn gevoelsleven geen onbekend onderwerp in de antropologie. Desalniettemin is de oorlogsantropologie, anders dan de oorlogsarcheologie, de oorlogsgeschiedenis of de politieke economie van de oorlog, maar een klein wetenschappelijk veld. Al was het maar omdat het toepassen van etnografische onderzoekstechnieken op de oorlogservaringen van burgers en militairen grote intimiteit met de betrokkenen vereist en daarmee grote gevaren voor eigen lijf en leden met zich meebrengt.

Dat betekent dat wat er aan oorlogsantropologie is geschreven vaker het buitenstandersperspectief weerspiegelt dan dat het recht doet aan de zelfervaringen van de betrokkenen zelf. De enige uitzondering op deze regel die ik ken, is het werk van Karl Marlantes, een hoogopgeleide Amerikaanse marinier die gedecoreerd uit de Vietnamoorlog is gekomen, dertig jaar geleurd heeft met de gefictionaliseerde versie van zijn ervaringen alvorens die met veel succes te publiceren onder de titel Matterhorn: A novel of the Vietnam war, om vervolgens, als een ware amateurantropoloog, de grote vraag te proberen te beantwoorden: Hoe voelt dat nou, oorlog voeren? What it is like to go to war? is een indrukwekkende persoonlijke reflectie op wat weken aan stress, ontberingen en geweld met je gevoelens, je oordeelsvermogen en je persoonlijkheid doen en bieden daarmee een zeldzame inkijk van binnenuit in de werelijkheid van oorlog.

De auteur kwam echter uit een geprivilegieerd milieu, had aan Harvard gestudeerd, was lid van de Phi Beta Kappa studentenvereniging waar ook Bush jr lid van was geweest, was net als Bill Clinton Rhodes scholar geweest, had zich vrijwillig gemeld bij een elite eenheid van het Amerikaanse leger, de Mariniers, en was vervolgens als officier naar Vietnam uitgezonden. Daarmee hebben zijn reflecties de heroïsche kleuring die veel ooggetuigenverslagen afkomstig uit het officierscorps hebben aankleven, geschreven als zij immers zijn door personen die posities in de militaire hiërarchie vervullen die nu eenmaal een grotere mate van handelingsvrijheid kennen dan voor de gewone soldaat geldt. Een nadeel dat bijvoorbeeld ook de romans van Ernst Junger hebben aankleven.

Oorlog is een gruwel; het doodt de ziel.

En dus zijn de ervaringen van Remarque, zoals verwerkt in Im Westen nog steeds van onschatbare waarde om beter te begrijpen wat oorlog met gewone soldaten doet. Deels heb ik dat al aangestipt toen ik schreef over de metafoor van de tot dier gemaakte mens die Remarque gebruikt. Ook de rol van vijandbeelden bij het slechten van het taboe op moord heb ik al aangestipt. Wat ik hieronder aan citaten heb verzameld, gaat voornamelijk over de soldaat als monster, waaronder ik een proces versta dat mensen uit de conventionele categorieën stoot: het monster als filosofische aanduiding dus van de mens die niet meer past in de kenmerken die de normale maatschappij conventioneel aan hem toeschrijft. Oorlog als oorzaak van vervreemding van het conventionele beschaafde bestaan — zo zou je het kunnen samenvatten.

Neem deze passage, over jonge soldaten die hun verhouding tot het vanzelfsprekende gezag van volwassenen door het eerste geweersalvo op de kop gezet zagen worden:

De eerste artillerieaanval liet ons onze fout zien, en daaronder stortte het wereldbeeld dat onze leraren ons hadden bijgebracht in elkaar.

Terwijl zij nog schreven en spraken, zagen wij veldhospitalen en stervenden; terwijl zij dienstbaarheid aan de staat als het allerbelangrijkste verkondigden, wisten wij al dat de angst voor de dood sterker was.

Daarom werden wij geen muiters, deserteurs of lafaards — al die termen kwamen zo gemakkelijk bij hen op — we hielden net zoveel van ons vaderland als zij, en we handelden dapper bij elke aanval; maar nu onderscheidden we ons, we hadden plotseling leren zien. En we zagen dat er niets meer over was van hun wereld. We waren plotseling vreselijk alleen; en we moesten er alleen mee omgaan.

Ervaringen van dood en verderf die deze nieuwe generatie voorgoed ongeschikt maakte voor het burgerlijke leven, met zijn idealen, verlangens en wensen. Het is eens en vooral ontmaskerd als een leugen.

Of neem deze:

We zijn geen jongeren meer. We willen de wereld niet langer veroveren. We zijn vluchtelingen. We vluchten voor onszelf. Voor ons leven. We waren achttien en begonnen de wereld en het bestaan ​​lief te hebben; we moesten ertegenin gaan. De eerste granaat die insloeg, trof ons in het hart. We zijn afgesneden van actie, van streven, van vooruitgang. We geloven er niet meer in; we geloven in oorlog.

In de plaats van sociale mobiliteit, in plaats van dromen van werk, huis en gezin, van maatschappelijke vooruitgang, van de verwachting dat morgen beter zal zijn dan vandaag en overmogen beter dan morgen, is de tijdloze gruwel van de oorlog getreden waarin de ene dag zich aan de andere rijgt.

Of nog duidelijker het monsterlijke van het soldatenleven beschrijvend, in de betekenis van oncategoriseerbaar:

We zijn verlaten als kinderen en ervaren als oude mensen, we zijn rauw, verdrietig en oppervlakkig — ik denk dat we verdwaald zijn.

Of neem deze:

Want dat is wat we kunnen: kaarten spelen, vloeken en oorlog voeren. Niet veel voor twintig jaar — te veel voor twintig jaar.

De IJzeren jongelingen worden ze aan het thuisfront genoemd, waar de hoop en eer van gans het vaderland op rust:

Ja, zo noemen ze ons, zo noemen ze ons, daar thuis. IJzeren Jeugd. Jeugd! We zijn allemaal niet ouder dan twintig jaar. Maar jong? Jeugd? Dat is lang geleden. We zijn oude mensen.

En in datzelfde jaar, nadat Paul gewond is geraakt en weer naar het front is gestuurd:

Ik ben jong, ik ben twintig jaar oud; maar ik ken niets van het leven behalve wanhoop, dood, angst en de verstrengeling van de meest zinloze oppervlakkigheid met een afgrond van lijden. Ik zie naties tegen elkaar worden opgezet en elkaar in stilte, onwetend, dwaas, gehoorzaam en onschuldig doden. Ik zie de slimste geesten ter wereld wapens en woorden bedenken om dit alles nog geraffineerder en langduriger te maken. En alle mensen van mijn leeftijd, hier en daar, overal ter wereld, zien het met mij; mijn generatie beleeft het met mij. Wat zullen onze vaders doen als we eindelijk opstaan ​​en voor hen verschijnen om rekenschap te eisen? Wat zullen ze van ons verwachten als er een tijd komt dat er geen oorlog meer is? Jarenlang was doden ons beroep — het was ons eerste beroep ooit. Onze kennis van het leven is beperkt tot de dood. Wat zal er daarna gebeuren? En wat zal er van ons worden?

Oorlog is een gruwel; het doodt de ziel, van de gedoden, en van hen die doden en hebben gedood; van de uitvoerders, en van de bevelhebbers; van de strijdenden, en van de politici die het initiëren, faciliteren en, om met Remarque te spreken: ‘die de wapens en woorden bedenken om dit alles nog geraffineerder en langduriger te maken.’

Jullie weten wie jullie zijn.

Ik doe, met Remarque, een hartstochtelijk appel aan jullie om te stoppen voor het te laat is en je niet te laten verleiden door de illusie van militaire eer om je hart te bepantseren, maar open te staan voor de ander, te luisteren naar zijn verhaal, het te leren zien als het tweede paneel dat onvermijdelijk jullie paneel van de oorlog, van iedere oorlog, completeert, en vandaar gezamenlijk naar de vrede te schrijden.

Ik geef Remarque het laatste woord:

Vandaag jij, morgen ik. Maar als ik dit overleef, kameraad, dan zal ik vechten tegen datgene wat ons heeft verwoest: jouw leven — en het mijne —? Ook mijn leven. Ik beloof het je, kameraad. Het mag nooit meer gebeuren.

Deze belofte doet Paul in de bomkrater aan de Franse soldaat die hij eigenhandig heeft gedood.

En een paar dagen voordat de trompettist van het Duitse leger op 11 november 1918 het signaal van het staken der vijandelijkheden zou blazen, op zo’n dag waarop de pers wist te melden dat er geen nieuws van het westerse front was, wordt Paul alsnog getroffen door een verdwaalde kogel. Toen men hem vond en hem omdraaide zag men dat hij niet geleden kon hebben:

Zijn gezicht had een beheerste uitdrukking, bijna alsof hij tevreden was met hoe de dingen waren gelopen.

                    -----------------------------------------------------------------------


Dag Deepseek, is het voor U mogelijk om een korte inhoud te geven van het boek van Annie Jacobsen: Nuclear War: A scenario Ik denk aan een samenvatting van 5 pagina's ...
Read 10 web pages

Zeker. Hier is een uitgebreide samenvatting van Nuclear War: A Scenario van Annie Jacobsen, opgedeeld in vijf delen.


Inleiding: Een Scenario dat op Feiten is Gebaseerd

Annie Jacobsen, een onderzoeksjournalist en finalist voor de Pulitzerprijs, heeft met Nuclear War: A Scenario een urgent en aangrijpend boek geschreven dat geen fictie is, maar een "narrative non-fictie" reconstructie . Het boek probeert een allesomvattend antwoord te geven op de angstaanjagende vraag: wat gebeurt er werkelijk als de afschrikking faalt? Het centrale uitgangspunt is dat een kernoorlog niet begint met een grote strategische zet van een supermacht, maar met een verrassingsaanval van een "rogue state" zoals Noord-Korea .

Jacobsen baseert haar minutieuze scenario op jarenlang onderzoek, interviews met tientallen militaire en civiele experts (waaronder een voormalig CIA-directeur en stafchef van het Witte Huis), declassificatie van documenten en historische precedenten zoals de Noorse raketmelding van 1995 . Hoewel het scenario zelf hypothetisch is, zijn de technische details, protocollen en menselijke reacties die ze beschrijft geworteld in de werkelijkheid. Het boek is geen beleidsvoorstel, maar een "oogopenende" waarschuwing voor het publiek en een oproep tot een dieper begrip van de existentiële risico's die kernwapens met zich meebrengen .

De Aanloop: Historische Context en de Illusie van Afschrikking

Voordat het doemscenario begint, schetst Jacobsen de historische context in Deel I: De Opbouw (of, Hoe We Hier Zijn Gekomen) . Ze neemt de lezer mee terug naar de begindagen van het nucleaire tijdperk en de ontwikkeling van het concept van "Mutually Assured Destruction" (MAD) ofwel wederzijdse gegarandeerde vernietiging. Dit is de strategie die sinds de Koude Oorlog de wereld heeft moeten behoeden voor een nucleaire oorlog, maar die volgens Jacobsen op een broze en waanzinnige logica berust: "Regel nr. 1 beweert simpel te zijn: afschrikking houdt de wereld veilig voor een kernoorlog" .

Het boek benadrukt dat het huidige beleid en alle verdedigingssystemen nog steeds op deze erfenis zijn gebouwd. Tegelijkertijd laat het de inherente gevaren zien. Jacobsen verwijst naar vroege nucleaire oorlogsplannen zoals de SIOP (Single Integrated Operational Plan) uit 1960, die voorzagen in de dood van honderden miljoenen mensen en waarvan de gruwelijkheid door slechts één generaal in twijfel werd getrokken . Deze geschiedenis dient om aan te tonen dat de weg naar de huidige nucleaire realiteit bezaaid is met "waanzinnige" plannen en dat de drempel voor het gebruik van deze wapens, in theorie, al lang geleden is verlaagd.

Minuut 0 tot 24: De Eerste Aanval en de Chaos van het Moment

Het hart van het boek is een meeslepende, minuut-voor-minuut beschrijving van een nucleaire uitwisseling. Het scenario begint wanneer een Noord-Koreaanse onderzeeër onopgemerkt de Amerikaanse kust nadert en een raket afvuurt .

  • Minuut 0: Een Hwasong-17 ICBM met een kernkop van 1 megaton wordt gelanceerd richting het Pentagon in Washington D.C. . Vrijwel gelijktijdig wordt een tweede raket, een Pukguksong-1 SLBM, afgevuurd op de kerncentrale Diablo Canyon in Californië .

  • De Verdediging Faalt: Het Amerikaanse raketschild, met slechts 44 interceptors, blijkt niet effectief tegen deze aanval. De eerste raket ontwijkt de verdediging en de tweede wordt niet eens onderschept omdat de verdedigingssystemen (Aegis en THAAD) te ver weg zijn gestationeerd .

  • De Beslissing: Binnen een extreem korte tijdspanne, onder immense druk en met "jamming" (een kakofonie van stemmen die om toestemming voor een tegenaanval schreeuwen), moet de Amerikaanse president een beslissing nemen . Hij beveelt een nucleaire tegenaanval op Noord-Korea. Echter, de Amerikaanse Minuteman III raketten hebben niet genoeg bereik om Noord-Korea te bereiken zonder over de Noordpool en dus over Russisch luchtruim te vliegen .

Minuut 24 tot 48: Escalatie door Miscommunicatie

Het falen van communicatie is de motor van de escalatie in Deel III: De Volgende 24 Minuten .

  • Een Fatale Misinterpretatie: Terwijl de Amerikaanse raketten onderweg zijn naar Noord-Korea, probeert de Amerikaanse minister van Defensie wanhopig zijn Russische tegenhanger te bereiken om uit te leggen dat de raketten niet voor Rusland bestemd zijn . Dit mislukt.

  • Het Russische Standpunt: Het Russische Tundra-satellietsysteem detecteert de Amerikaanse lancering en overschat het aantal raketten, waardoor het erop lijkt dat Rusland het doelwit is van een verwoestende eerste aanval . De Russische president, paranoïde en zonder contact met de Amerikanen, gelooft dat hij wordt aangevallen en geeft het bevel voor een allesomvattende tegenaanval op de Verenigde Staten en haar NAVO-bondgenoten. Binnen 45 minuten na de eerste Noord-Koreaanse lancering is de wereld in een nucleaire oorlog verwikkeld .

Minuut 48 tot 72 en Verder: De Totale Vernietiging

  • Het Einde van de Wereld in 72 Minuten: Wanneer de VS de Russische lancering detecteert, wordt het doelscenario onmiddellijk uitgebreid. De Amerikanen lanceren hun volledige arsenaal tegen 975 doelen in Rusland .

  • Noord-Korea wordt Vernietigd: Ongeveer 82 Amerikaanse kernkoppen treffen Noord-Korea, waarmee het land van de kaart wordt geveegd .

  • De Laatste Klap: Noord-Korea doet echter een laatste wanhoopsdaad door een kernkop in een baan om de aarde tot ontploffing te brengen. De resulterende elektromagnetische puls (EMP) legt een groot deel van de Amerikaanse stroomnetwerken en elektronica lam .

  • De Wereld in Brand: Binnen 92 minuten worden de Verenigde Staten getroffen door meer dan 1000 Russische kernkoppen. Honderden miljoenen mensen zijn op dat moment al dood. Ook Europese landen, waaronder het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland, worden verwoest door Russische raketten . De nucleaire oorlog eindigt minder dan twee uur nadat hij begon, met het grootste deel van het noordelijk halfrond in puin.

De Nasleep: Een Nucleaire Winter en een Onzekere Toekomst

Het boek eindigt niet met de laatste ontploffing. In Deel V: De Volgende 24 Maanden en Verder schetst Jacobsen de catastrofale gevolgen op de lange termijn .

  • Nucleaire Winter: De wereldwijde branden die door de ontploffingen zijn ontstaan, stuwen enorme hoeveelheden roet en as in de stratosfeer, wat leidt tot een "nucleaire winter". De landbouw stort in, wat leidt tot wereldwijde hongersnood .

  • Een Verwoeste Biosfeer: De ozonlaag wordt aangetast, waardoor het leven op aarde wordt blootgesteld aan schadelijke ultraviolette straling. Grote delen van de planeet worden onbewoonbaar. Alleen de meest zuidelijke landen, zoals Australië en Nieuw-Zeeland, zouden mogelijk nog (tijdelijk) leefbaar zijn .

  • De Enige Overwinnaar: Jacobsen concludeert dat de "vijand" in dit scenario niet Noord-Korea, Rusland of de Verenigde Staten is. De echte vijand zijn de kernwapens zelf. De aarde zou er 24.000 jaar over doen om te herstellen van deze catastrofe .

Het boek is een grimmige en confronterende leeservaring, door critici omschreven als een "stomach-clenching, multi-perspective, ticking-clock, geopolitical thriller" . Het is geen document dat oplossingen biedt, maar een essentiële wake-up call die, volgens velen, door iedereen gelezen zou moeten worden om de waanzin van kernwapens en de fragiliteit van onze wereld te begrijpen .