Hieronder de uitspraak.
De tekst is dermate ingewikkeld dat ik er niet veel van begrijp.
Ik meen dat Max v d Berg het gaat uitleggen.
Dan zal ik dat hieronder plaatsen.
ECLI:NL:RBNNE:2025:3398
Artikel 192 en 196 Rv. Verzoek om een voorlopig getuige-partijdeskundigenverhoor over de inzet van Covid-19 injecties als biowapen in het kader van een project genaamd ‘Covid 19: the Great Reset’ wordt afgewezen. Toewijzing van het verzoek zal een reeds lopende bodemprocedure die over hetzelfde onderwerp gaat en is ingesteld tegen dezelfde tegenpartijen, doorkruisen. Een verhoor van partijdeskundigen is in dit geval ook niet de juiste manier om bewijs te vergaren en duidelijkheid te krijgen over de proceskansen in een bodemprocedure. Verzoekers hebben verder onvoldoende belang bij het verhoor en het verzoek is strijdig met de goede procesorde.
Uitspraak
RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Leeuwarden
Zaaknummer / rekestnummer: C/17/199273 / HA RK 25-17
Beschikking van 20 augustus 2025
in de zaak van
1[A] ,
te [woonplaats ] ,
2. [B],
te [woonplaats ] ,
3. [C],
te [woonplaats ] ,
verzoekers,
hierna samen te noemen: verzoekers,
advocaat: mr. P.W.H. Stassen,
tegen
1[D] ,
2. [E] ,
3. [F] ,
4. [G] ,
5. [H] ,
6. [I] ,
7. [J] ,
8. [K] ,
9. [L] ,
10. [M] ,
14. [N] ,
allen woonplaats kiezende te [plaats] ,
17. DE STAAT DER NEDERLANDEN,
zetelend te ’s-Gravenhage,
hierna samen te noemen: [D] c.s.
advocaten: mr. R.W. Veldhuis en mr. M.E.A. Möhring,
11 . [P] ,
wonende te [woonplaats ] ,
hierna te noemen: [P] ,
advocaten: mr. D.C. Roessing en mr. M. Bredenoord-Spoek,
12. [Q] ,
wonende in [woonplaats ] ,
13. [R] ,
wonende in [woonplaats ] ,
hierna samen te noemen: [Q] c.s.,
advocaat: mr. R.H.W. Lamme,
15. [S] ,
wonende te [woonplaats ] ,
hierna te noemen: [S] ,
advocaat: mr. W. Heemskerk en mr. P.F.B. Mulder,
16. [T] ,
woonplaats kiezende te [woonplaats ] ,
hierna te noemen: [T] ,
advocaat: mr. A.H. Ekker,
gerekestreerden,
hierna samen te noemen: gerekestreerden.
[D] c.s., [P] , [Q] c.s. en [T] zullen hierna samen verweerders worden genoemd.
1De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift
- de e-mail van 21 mei 2025 van de zijde van verzoekers met productie
- de brief van 17 juni 2025 van de zijde van verzoekers met producties
- het verweerschrift van de zijde van [D] c.s.
- de e-mail van de zijde van [P] van 2 juli 2025 met het verzoek digitaal aan de zitting te mogen deelnemen
- de afwijzende beslissing van de rechtbank van 3 juli 2025 op het verzoek van [P]
- het verweerschrift van de zijde van [P]
- de e-mail van de zijde van [S] van 4 juli 2025, waarin wordt aangegeven dat [S] zich refereert
- het verweerschrift van de zijde van [T]
- de e-mail van de zijde van [Q] c.s. van 4 juli 2025, waarin wordt aangegeven dat mondeling verweer zal worden gevoerd
- de e-mail van 6 juli 2025 van de zijde van verzoekers met verzoeken aan de rechtbank en een link naar een video
- de brief van de rechtbank van 6 juli 2025, waarin op die verzoeken is beslist
- de e-mail van de rechtbank van 8 juli 2025, waarin partijen wordt verzocht te reageren op het verzoek van journalisten om ter zitting foto’s en beeld- en geluidsopnames te mogen maken
- de e-mails van de zijde van gerekestreerden van 8 juli 2025, waarin zij daartegen bezwaar maken voor zover het gaat om niet-geaccrediteerde journalisten
- de e-mail van de rechtbank van 8 juli 2025 waarin aan partijen de beslissing is meegedeeld dat niet-geaccrediteerde journalisten niet wordt toegestaan foto’s en beeld- en geluidsopnames te maken
- de e-mail van de zijde van verzoekers van 8 juli 2025, waarin bezwaar word gemaakt tegen die beslissing
- de mondelinge behandeling, waarvan door de griffier zittingsaantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van de zijde van verzoekers
- de pleitnota van de zijde van [D] c.s.
- de pleitnota van de zijde van [Q] c.s.
De beschikking is bepaald op vandaag.
2. Het verzoek en het verweer
Verzoekers verzoeken de rechtbank
1. bij beschikking over de in het verzoekschrift gestelde feiten en omstandigheden een
verhoor te houden [de rechtbank begrijpt: te gelasten], waarbij de in het verzoekschrift genoemde deskundigen kunnen worden bevraagd over de in het verzoekschrift geformuleerde vragen,
2. te bepalen dat de partijdeskundigen indien door hen gewenst middels een videoverbinding met de rechtbank door de rechter-commissaris in het openbaar kunnen worden gehoord,
3. de dag, het uur en de plaats te bepalen waarop deze verhoren in het openbaar zullen plaatsvinden, daarbij rekening houdende met de verschillende tijdszones,
4. de rechter-commissaris aan te wijzen voor wie het verhoor zal moeten worden gehouden, en
5. de dag te bepalen waarop verzoekers uiterlijk afschrift van dit verzoekschrift en de daarop te geven beschikking aan de zeven [de rechtbank begrijpt: vijf] partijdeskundigen zal moeten doen toekomen.
Verzoekers hebben kort gezegd aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat zij overwegen om tussen te komen of zich te voegen in de bij de rechtbank aanhangige bodemprocedure met rolnummer 23/172 waarin gerekestreerden de gedaagden zijn of om zelf een procedure tegen gerekestreerden te starten. Zij willen vergoeding vorderen van alle reeds door hen geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het feit dat zij door gerekestreerden op onrechtmatige wijze zijn misleid om een Covid-19 (mRNA) injectie te laten zetten. Blijkens het verzoekschrift en de bijgevoegde stukken stellen de eisers in de hiervoor vermelde bodemzaak dat Covid-19 geen ziekte is maar een project genaamd ‘Covid-19: the Great Reset’. Volgens hen vormen de Covid-19 (mRNA) injecties een cruciaal onderdeel van dit project waar gerekestreerden deel van uit maken en kwalificeren die injecties als biowapens, waarmee genocide wordt gepleegd. Verzoekers delen deze standpunten van de eisers in de bodemprocedure. Door de gedaagden in de bodemprocedure worden deze standpunten betwist. Verzoekers beogen met het door hen verzochte verhoor van deskundigen bewijs van de hiervoor genoemde standpunten veilig te stellen en om hun proceskansen beter in te kunnen schatten. Volgens de verzoekers zijn de deskundigen gelet op hun opleiding, ervaring en relevante expertise geschikt om een onafhankelijk en wetenschappelijk onderbouwd deskundigenoordeel te geven met betrekking tot de in het verzoekschrift opgenomen vragen over het project en de Covid-19 (mRNA) injecties.
Verweerders voeren ieder voor zich verweer. [D] c.s., [P] en [T] concluderen tot niet-ontvankelijkverklaring van verzoekers in hun verzoek dan wel afwijzing van dit verzoek met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van verzoekers in de kosten van deze procedure (inclusief de nakosten), te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. [Q] c.s. concluderen hetzelfde met uitzondering van de uitvoerbaarbijvoorraadverklaring van de proceskostenveroordeling. [S] refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
3De beoordeling
Inhoud verzoek en toetsingskader
Het gaat hier om een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting. Per 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden, die onder meer de regeling van voorlopige bewijsverrichtingen in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) heeft gewijzigd. Omdat het verzoek dateert van na die datum zijn deze nieuwe artikelen op het verzoek van toepassing.
Op grond van artikel 196 lid 1 Rv kan de rechter, voordat een zaak aanhangig is, op verzoek van een belanghebbende een of meer voorlopige bewijsverrichtingen bevelen, zoals een voorlopig getuigenverhoor, een voorlopig deskundigenbericht of een voorlopig deskundigenverhoor. Bij deze laatste verrichting gaat het om het verhoor op de mondelinge behandeling van een door de rechtbank benoemde deskundige.
Op grond van artikel 192 lid 1 Rv kan de rechter op verzoek van een partij toestemming verlenen voor het horen van deskundigen die de betreffende partij wenst te laten horen. Deze deskundigen worden niet door de rechter benoemd en worden hierna partijdeskundigen genoemd. Uit de wetgeschiedenis van artikel 192 lid 1 Rv volgt dat dit verhoor ook als voorlopige bewijsverrichting kan worden verzocht1. Indien een (partij)deskundige niet alleen een bepaalde deskundigheid bezit maar ook uit eigen waarneming kennis draagt van voor de zaak relevante feiten en omstandigheden kan bij wijze van voorlopige bewijsverrichting worden verzocht om hem als getuige-(partij)deskundige te horen. Dit betreft dan een combinatie van een verhoor als getuige met een verhoor als (partij)deskundige.
Verweerders hebben aangevoerd dat uit het verzoekschrift niet duidelijk blijkt welke van de hierboven genoemde voorlopige bewijsverrichtingen door verzoekers wordt verzocht. Zij wijzen erop dat in het verzoekschrift door verzoekers afwisselend wordt gesproken van een voorlopig deskundigenverhoor, een voorlopig deskundigenbericht, een combinatie hiervan, of van een getuigenverhoor.
De rechtbank stelt vast dat in het petitum van het verzoekschrift wordt verzocht om het gelasten van een deskundigenverhoor en dat in het petitum verder wordt gesproken over ‘de partijdeskundigen’. Verzoekers hebben aangeven dat de door hen voorgedragen deskundigen tevens zijn aan te merken als getuige en dat hun relevante feitenkennis tevens (deels) bestaat uit hun waarneming als getuige, zodat zij volgens hen onder ede moeten worden gehoord. De rechtbank gaat daarom uit van een verzoek tot het gelasten van een voorlopig verhoor van door verzoekers aangedragen getuige-partijdeskundigen. Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat op de mondelinge behandeling door verzoekers werd gesproken over een verhoor van getuige-deskundigen. Voor zover gerekestreerden het verzoek niet zo hebben begrepen, worden zij hierdoor niet in hun belangen geschaad, gelet op wat hierna wordt overwogen over dit verzoek.
Uit artikel 196 lid 2 Rv volgt dat de rechter een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting toewijst, tenzij:
- de informatie die verlangd wordt, niet voldoende bepaald is;
- onvoldoende belang bij de voorlopige bewijsverrichting bestaat;
- het verzoek is strijd is met de goede procesorde;
- sprake is van misbruik van bevoegdheid;
- er andere gewichtige redenen bestaan die zich verzetten tegen de voorlopige bewijsverrichting.
De rechtbank merkt hierbij op dat deze afwijzingscriteria geen van elkaar afgescheiden criteria vormen, maar min of meer in elkaar overlopen en om die reden naast elkaar van toepassing kunnen zijn.
De rechtbank wijst het verzoek af en legt hieronder uit waarom.
Het verzoek is niet mogelijk indien verzoekers willen tussenkomen of zich willen voegen in de lopende bodemprocedure
Voor zover verzoekers om het verhoor hebben verzocht, omdat zij overwegen om tussen te komen (of zich te voegen) in de hiervoor vermelde bodemprocedure, is het verzoek niet toewijsbaar. Zoals verweerders terecht hebben aangevoerd, is in artikel 196 Rv de mogelijkheid uitgesloten om tijdens een al lopende procedure een voorlopige bewijsverrichting te vragen. Verzoekers zijn weliswaar op dit moment geen partij in de bodemprocedure, zodat strikt genomen geen sprake is van een verzoek om een voorlopige bewijsverrichting in een lopende procedure, maar zij zullen bij toewijzing van een vordering tot tussenkomst (of voeging) wel partij worden in die lopende procedure. Het verzoek is daarom strijdig met de strekking van artikel 196 Rv. Als een zaak al inhoudelijk wordt behandeld, moeten bewijsverrichtingen volgens de wetgever via de rechter verlopen aan wie de zaak is toebedeeld en moet een voorlopig bewijsverrichting de lopende procedure niet doorkruisen2. Van zo’n onaanvaardbare doorkruising van de lopende procedure is naar het oordeel van de rechtbank ook sprake wanneer het verzoek tot het treffen van een voorlopige bewijsverrichting wordt gedaan door iemand die beoogt partij te worden in een reeds lopende procedure. Het verzoek valt daarom niet te verenigen met de bedoeling van de wetgever.
Het verzoek moet ook worden afgewezen indien verzoekers een eigen bodemprocedure willen beginnen
Door verzoekers is naar voren gebracht dat zij ook overwegen om een eigen procedure tegen gerekestreerden te beginnen. In die bodemprocedure zal het echter gaan om hetzelfde feitencomplex als in de bodemprocedure die nu wordt gevoerd en dezelfde gedaagden (die nu gerekestreerden zijn). Die bodemprocedure zal daarom zeer nauw verweven zijn met de reeds aanhangige bodemprocedure. Uit de door verzoekers overgelegde conclusie van repliek in de bodemprocedure blijkt dat dit verzoekschrift in de bodemprocedure als productie is overgelegd en dat in de bodemprocedure is aangeboden om de partijdeskundigen in de bodemprocedure te horen. Het is aan de meervoudige kamer in de lopende bodemprocedure om te beslissen of dat nodig en wenselijk is. Bij toewijzing van het verzoek kan de lopende bodemprocedure op onaanvaardbare wijze beïnvloed worden. Indien het schriftelijk verslag van het partijdeskundigenverhoor wordt ingebracht in de lopende bodemprocedure dan zal dit invloed hebben op de verdere procesgang. De regie van de meervoudige kamer in de bodemprocedure wordt daarmee aangetast op een manier die vergelijkbaar is met de hiervoor beschreven gevolgen voor de bodemprocedure bij tussenkomst of voeging. Dat levert strijd op met de bedoeling van de wetgever.
Het verzoek dient ook om andere redenen te worden afgewezen
1. Een deskundigenverhoor is niet het geëigende middel
Verweerders hebben onder meer als verweer aangevoerd dat verzoekers geen belang hebben bij een voorlopig deskundigenverhoor, omdat verzoekers het gewenste voorlopige bewijs ook schriftelijk kunnen verkrijgen. Zij wijzen er in dit verband op dat de personen die verzoekers als deskundigen willen laten horen zich bereid hebben verklaard om een verklaring af te leggen, wat ze ook schriftelijk kunnen doen.
Verzoekers hebben hiertegen ingebracht dat een eenzijdige schriftelijke verklaring van de aangedragen deskundigen niet het gewicht en de bewijskracht heeft van een in een zorgvuldig juridisch proces met de mogelijkheid van hoor en wederhoor tot stand gekomen deskundigenoordeel. Volgens verzoekers kunnen alle partijen tijdens het verhoor kritische vragen aan de voorgedragen partijdeskundigen stellen en kunnen gerekestreerden ook hun partijdeskundigen onder ede laten horen. De lijnrecht tegenover elkaar staande kampen van partijdeskundigen zullen volgens verzoekers ieder hun deskundigenoordeel onder ede moeten geven en onderbouwen. Alleen een zodanig tot stand gekomen deskundigenoordeel geeft verzoekers voldoende inzicht om te kunnen bepalen of zij in een juridische procedure kunnen aantonen dat er sprake is van onrechtmatig handelen in de vorm van het plegen van genocide met een biowapen, aldus verzoekers.
De rechtbank volgt verzoekers niet in dit standpunt. Partijen zijn het er immers over eens dat de meningen van hun partijdeskundigen in deze kwestie lijnrecht tegenover elkaar (zullen) staan. In zo’n geval is een deskundigenbericht door een onafhankelijke, in overleg met partijen door de rechtbank benoemde deskundige een meer aangewezen manier om inzicht in de materie en om bewijsmateriaal te verkrijgen. Dit geldt temeer, omdat het gaat om een complex vraagstuk dat zich beter leent voor schriftelijke informatieverschaffing door een in overleg met partijen benoemde deskundige die daarna zo nodig op onderdelen nog door de rechter op een mondelinge behandeling gehoord kan worden. Verzoekers hebben weliswaar aangedrongen op het laten plaatsvinden van een debat tussen de deskundigen van verzoekers en gerekestreerden, maar daar is de in de wet geboden mogelijkheid om een verzoek tot het houden van een partijdeskundigenverhoor niet voor bedoeld. Het debat vindt plaats ten overstaan van de rechter in een bodemprocedure en die rechter bepaalt hoe en op welke wijze het debat dient plaats te vinden.
2. Verzoekers hebben geen belang bij het verzoek
Niet weersproken is dat verzoekers bekend zijn met het standpunt van hun partijdeskundigen en de daar tegenover staande visie van de partijdeskundigen waar gerekestreerden een beroep op zullen willen doen. Zij hebben daarom onvoldoende onderbouwd gesteld dat zij het verhoor nodig hebben om te kunnen beslissen of zij een bodemprocedure willen starten. Zij kunnen bovendien hun partijdeskundigen verzoeken om de vragen schriftelijk of in een video te beantwoorden. Daarmee wordt hun bewijsmateriaal voldoende veilig gesteld. De rechtbank is daarom van oordeel dat verzoekers onvoldoende belang hebben bij het horen van de partijdeskundigen.3
3. De partijdeskundigen kunnen niet als getuige gehoord worden
Ten aanzien van het horen van getuigen heeft voorts nog het volgende te gelden. Op grond van artikel 163 Rv kan de verklaring van een getuige slechts als bewijs dienen voor zover zij betrekking heeft op aan de getuige uit eigen waarneming bekende feiten. Het begrip ‘waarneming’ moet volgens vaste jurisprudentie ruim worden opgevat. Ook indrukken die de getuige heeft opgedaan behoren daartoe en wat de getuige heeft gehoord van derden4. Bij het verzoek tot een voorlopig getuigenverhoor dient voldoende duidelijk, en dus ook concreet, te worden vermeld op welk feitelijk gebeuren het verhoor betrekking zal hebben. Voorts geldt dat, zo nodig, ook duidelijk dient te worden gemaakt waarom de te horen getuigen hierover (mogelijk) kunnen verklaren5.
Volgens verweerders moet het verzoek worden afgewezen, voor zover wordt verzocht de partijdeskundigen ook als getuigen te horen. Hiertoe voeren zij aan dat verzoekers niet hebben toegelicht van welke relevante gebeurtenissen de door verzoekers voorgedragen personen getuige zouden zijn geweest en dat geen van de voorgestelde vragen betrekking heeft op eigen waarnemingen van deze personen. In reactie hierop hebben verzoekers ter zitting toegelicht dat de door hen genoemde personen uit eigen waarneming kunnen verklaren omtrent het bestaan van het door verzoekers gestelde project ‘Covid-19:Great Reset’, genocide en inzet van biowapens, omdat zij leven in een tijd waarin dit alles speelt. Hiermee hebben verzoekers naar het oordeel van de rechtbank, in het licht van wat verweerders hebben aangevoerd, onvoldoende geconcretiseerd welke voorgestelde vragen de voorgedragen personen op basis van eigen waarneming kunnen beantwoorden. Zoals verweerders onbestreden hebben aangevoerd, zijn de vragen, gezien de formulering, ingestoken om te worden beantwoord door een deskundige op basis van kennis en ervaring op zijn/haar vakgebied. De vragen aan de partijdeskundigen zien kort gezegd op wat zij op basis hun expertise weten, maar niet op wat zij gezien of gehoord of waargenomen hebben.
4. Het verzoek is in strijd met de goede procesorde
Verder hebben verzoekers in het licht van de betwisting door verweerders onvoldoende toegelicht dat alle door verzoekers geformuleerde vragen ter zake dienend zijn en kunnen bijdragen aan de beslissing van het geschil in een eventuele bodemprocedure. Zo wordt door verzoekers voorgesteld om de Amerikaanse partijdeskundigen [V] (hierna: [V] ) en [W] diverse vragen voor te leggen over de Amerikaanse regelgeving op het gebied van virussen, vaccins en biologische en bacteriologische wapens, zonder dat duidelijk is gemaakt waarom het Amerikaanse recht in dezen relevant zou zijn. Verder noemt de rechtbank als voorbeeld dat verzoekers voorstellen om [V] te vragen: “Wat is de relatie tussen de regelgevende functies en beslissingen van de US-Food and Drug Administration (US-FDA) met betrekking tot de internationale handel in virussen, gentherapieën en andere biologische producten en andere regelgevende instanties buiten de Verenigde Staten, in het bijzonder in Europa?”. Ook hiervan is niet aangegeven waarom het antwoord op deze vraag benodigd is om een beslissing te kunnen nemen. Dit heeft voor meer vragen te gelden. Mede in dit licht bezien is ook onvoldoende toegelicht dat vijf deskundigen moeten worden gehoord en dat niet kan worden volstaan met minder. De rechtbank is dan ook van oordeel dat toewijzing van het verzoek tijdrovend en kostbaar zal zijn, terwijl het zal leiden tot inefficiënte informatievergaring. Dit maakt in samenhang met voorgaande overwegingen dat het verzoek in strijd is met de goede procesorde
Conclusie
De rechtbank komt tot de slotsom dat hiervoor genoemde omstandigheden tot het oordeel moeten leiden dat het verzoek moet worden afgewezen.
Omdat het verzoek reeds op voormelde gronden wordt afgewezen, behoeven alle overige verweren van verweerders geen bespreking meer.
Proceskosten
Verzoekers zullen als de in het ongelijk te stellen partij hoofdelijk in de proceskosten (inclusief de nakosten) worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [D] c.s. worden vastgesteld op
- griffierecht: € 714,00
- salaris advocaat: € 1.228,00 (2 punten x tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 2.120,00
De kosten aan de zijde van [P] worden vastgesteld op:
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.228,00 (2 punten x tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.737,00
De kosten aan de zijde van [Q] c.s. worden vastgesteld op:
- salaris advocaat: € 614,00 (1 punt x tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
De kosten aan de zijde van [S] worden vastgesteld op:
- salaris advocaat: € 614,00 (1 punt x tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 792,00
De kosten aan de zijde van [T] worden vastgesteld op:
- griffierecht: € 331,00
- salaris advocaat: € 1.228,00 (2 punten x tarief € 614,00)
- nakosten € 178,00plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.737,00
Ook de door verweerders gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal als op de wet gegrond en niet weersproken worden toegewezen op de wijze als weergegeven in het dictum.
4De beslissing
De rechtbank
wijst het verzoek af;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [D] c.s. tot op heden vastgesteld op € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als verzoekers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en [de beschikking] daarna wordt betekend;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [D] c.s. als deze niet binnen veertien dagen na de datum van [deze beschikking] zijn betaald;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [P] tot op heden vastgesteld op € 1.737,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als verzoekers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en [de beschikking] daarna wordt betekend;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [P] als deze niet binnen veertien dagen na de datum van [deze beschikking] zijn betaald;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [Q] c.s. tot op heden vastgesteld op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als verzoekers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en [de beschikking] daarna wordt betekend;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [Q] c.s. als deze niet binnen veertien dagen na de datum van [deze beschikking] zijn betaald;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [S] tot op heden vastgesteld op € 792,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als verzoekers niet tijdig aan de veroordeling voldoen en [de beschikking] daarna wordt betekend;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van [T] tot op heden vastgesteld op € 1.737,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als verzoekers niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en [de beschikking] daarna wordt betekend;
veroordeelt verzoekers hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de anderen tot het bedrag van die betaling zullen zijn bevrijd, tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten van [T] als deze niet binnen veertien dagen na de datum van [deze beschikking] zijn betaald;
verklaart [deze beschikking] wat betreft de veroordelingen onder 4.2., 4.3., 4.4., 4.5.,4.9. en 4.10. uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.A. Werkema en in het openbaar uitgesproken op
20 augustus 2025 in tegenwoordigheid van de griffier.